Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wieland ontvlood in een door hem vervaardigd gewaad van vederen. Deze sage, door Simrock in het gedicht „Wieland der Schmied" op voortreffelijke wijze weergegeven, was onder het volk algemeen verspreid. Vandaar de talrijke toespelingen op hem in Noorsche, Angelsaksische, Engelsche en Duitsche, maar ook in oud-Fransche gedichten (waarin hij Galant heet) en overleveringen.

Wieland, Christoph Martin, een Duitsch dichter, geboren den 5den September 1773 te Oberholzheim bij Biberach, bezocht van af zijn 14de jaar de school te Klosterberge bij Maagdenburg, waar zich zijn ontvankelijkheid op geestelijk gebied spoedig openbaarde. Vanaf 1749 bracht hij een jaar ten huize van één zijner bloedverwanten te Erfurt door; in den zomer van 1750 vertoefde hij in de ouderlijke woning. Hier ontmoette hij Sophie Gutermann-, de dweepzieke neiging, die hij voor haar opvatte, ontwikkelde zijn dichterlijk talent. Op een wandeling met haar kreeg hij het eerste denkbeeld voor een leerdicht over „Die Natur der Dinge", in 1752 anoniem verschenen. In het najaar van 1750 werd hij ingeschreven aan de universiteit te Tubingen met de bedoeling om in de rechten te studeeren. Intusschen wijdde hij zich meer aan de beoefeningen der fraaie letteren en der dichtkunst. Het heldendicht „Hermann" (uitgegeven door Muncker, 1886), waarvan hij vijf zangen voltooide en aan. Bodmer zond, gaf aanleiding tot een vertrouwelijke briefwisseling. De overige gedichten uit dien tijd, zooals: „Zwölf moralische Briefe in Versen" (1752), „Anti-Ovid" (1752) enz. doen hem kennen als een hartstochtelijken navolger van Klopstock. In den zomer van 1752 gaf hij gehoor aan een uitnoodiging van Bodmer, om naar Zürich te komen. Met hartelijke vriendschap ontvangen, vertoefde hij eenigen tijd bij Bodmer, dien hij door zijn verhandeling over de schoonheden van diens gedicht „Noah" en door een nieuwe uitgave der „Züricherische Streitschriften" aan zich verbond, terwijl hij in den dichttrant van zijn gastheer een epos in drie zangen „Der geprüfte Abraham" (1753) vervaardigde. Verder schreef hij hier „Briefe von Verstorbenen an hinterlassene Freunde" (1753). Langzamerhand echter onttrok hij zich aan Bodmer's invloed. In zijn „Empfindungen eines Christen" (1757) sprak hij voor het laatst de taal, welke hij sedert Klosterberge gebruikt had. Onder den invloed der geschriften van Lucianus, Horatius, Cervantes, Shaftesbury, (TAlembert, Voltaire enz. onderging hij een volslagen omkeer. Reeds het treurspel: „Lady Johanna Gray" (1758) werd door Lessing met de opmerking begroet, dat Wieland „de bovenaardsche gewesten verlaten had en weer rondwandelde onder de menschen". In hetzelfde jaar ontstond het episch fragment „Cyrus" (1759), waartoe de heldendaden van Frederik denGroote aanleiding hadden gegeven, alsmede het te Bern, waar hij in 1759 een betrekking van huisonderwijzer had aanvaard, geschreven treurspel „Clementina von Porretta" (1760) en de samenspraak uit de Cyropaedie van Xenophon: „Araspes en Panthea", welke gedichten volgens zijn eigen woorden „het herstel zijner ziel in haren natuurlijken toestand" aankondigden. In 1760 te Biberach teruggekeerd, waar hij tot directeur der kanselarij benoemd was, begon de periode, waarin zijn roem en beteekenis voor de Duitsche letterkunde gevestigd werden. Hier maak¬

te hij omstreeks 1761 een aanvang met zijn „Agathon" (1766—1767), volgens Lessing de eerste Duitsche roman voor „den denkenden mensch met klassieken smaak" en schreef hij „Don Silvio von Rosalva, oder der Sieg der Natur über die Schwarmerei" (1764), terwijl hij reeds in 1762 begonnen was aan een vertaling der werken van Sliakespeare (8 dln., 1762—1776). Met de twee bovengenoemde romans en de gedichten: „Musarion oder die Philosophie der Grazien" (1768) en „Idris und Zenide" (1768), alsmede met de verhalen: „Nadine" (1769), „Combabus" (1770), „Die Grazien" (1770) en „Der neue Amadis" (1771) ging Wieland door op den nieuw ingeslagen weg en verkondigde een philosophie der opgewekte zinnelijkheid, der vluchtige genietingen en der lichtzinnige bevalligheid, welke vierkant tegenover de opvattingen van zijn jeugd stonden. In den zomer van 1769 werd hij benoemd tot hoogleeraar te Erfurt. Hier schreef hij o. a. het zangspel „Aurora", de „Dialoge des Diogenes" en den roman „Der goldene Spiegel oder die Könige von Scheschian" (1772), welke den weg voor hem baande naar Weimar. In 1772 werd hij door hertogin Anna van Saksen Weimar derwaarts opgeroepen om zich met de letterkundige opleiding van haar beide zonen te belasten. Hier, in den geestelijk voornamen kring onder gunstige levensverhoudingen, ontplooide hij een frissche letterkundige werkzaamheid. Zijn zangspel „Der Wahl des Herkules" en het lyrisch drama „Alceste" (1773) vonden grooten bijval. In het tijdschrift „Der deutsche Merkur", dat hij van 1773—1789 redigeerde, plaatste hij voortaan zijn dichterlijke voortbrengselen. Wij noemen daaronder: de prachtig komische „Geschichte der Abderiten" (1781), het romantisch, kleurenrijk gedicht „Oberon" (1781), en zijn meesterwerk, de dichterlijke verhalen: „Das Wintermarchen", „Geron der Adelige", „Schach Lolo", „Pervonte" enz., bijeengevoegd in zijn „Auserlesene Gedichte" (1784—1787). Daarbij voegden zich de voortreffelijke bewerkingen van „Horazens Satiren" (1786), en van „Lukians samtliche Werke" (1788—1789) en een reeks van kleinere geschriften. Een gezamenlijke uitgave zijner tot 1802 verschenen werken (36 dln., en 6 vervolg dln., 1794—1802) had Wieland in staat gesteld, het buitengoed Osmannstedt bij Weimar te koopen, waar hij tot het overlijden van zijn gade in 1803 woonde. Daarop vestigde hij zich weder te Weimar. Het tijdschrift: „Attisches Museum", van 1796—1801 door Wieland alleen en het „Neue Attische Museum", door hem met Hottinger en Jacobs van 1802—1810 geredigeerd, dienden om het Duitsche volk met de meesterwerken der Grieksche dichtkunst, wijsbegeerte en welsprekendheid bekend te maken. Zijn laatste levensjaren besteedde hij voornamelijk aan een vertaling van Cicero's brieven (dl. 1—5, 1808—1812), welke hij echter niet kon voltooien. Hij overleed den 20-,lca Januari 1813 en werd, op zijn wensch, begraven in den tuin van het landgoed Osmannstedt. Den 4<lel1 September 1857 werd een marmeren standbeeld van hem te Weimar onthuld; te Biberach werd den 6den Juni 1881 een marmeren borstbeeld van hem opgesteld. De gezamenlijke werken van Wieland zijn in het licht gegeven door Gruber (laatste druk, 36 dln., Stuttgart, 1853) en bij Hempel (40 dln., Berlijn 1879).

Wielas noemt men in de scheepstaal de as,

Sluiten