Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oom, Groote Pier, tegen de Saksers, Hollanders en Bourgondiërs en werd na diens overlijden tot admiraal benoemd. Bij de verdediging van Sloten tegen Jan van Wassermer, gaf hij de stad over onder voorwaarde van vrijen aftocht. Daar hij intusschen van zijn zijde niet voldeed aan de gestelde bepalingen, werd hij achterhaald en den 258ten November 1523 te Leeuwarden onthoofd.

Wierdsma, Petrus, een Nederlandsch rechtsgeleerde, geboren te Leeuwarden in 1728, bezocht de Latijnsche school aldaar en werd in 1748 benoemd tot procureur postulant bij het nedergerecht der stad Leeuwarden. In het volgende jaar werd hij lid der vroedschap, en in 1760 benoemden de Staten van Friesland hem totnotarius publicus. In 1775 werd hij auditeur militair bij den krijgsraad. Door de Staten-Generaal belast met de samenstelling van een militair strafwetboek, voltooide hij deze taak op het blokhuis te Leeuwarden, waar hij met anderen door de ultra-revolutionnairen was gevangen gezet. Het werd door de Vertegenwoordigers der Bataafsche Republiek goedgekeurd en bleef tot 1815 van kracht. Later wai hij met 16 andere Nederlandsche rechtsgeleerden werkzaam aan het ontwerpen van een burgerlijk- en een strafwetboek voor de Bataafsche Republiek. Het kwam echter niet tot de invoering daarvan. Van zijn hand verschenen: „Verzameling van stukken betrekkelijk de gehoudene besoigne over de militaire jurisdictie in de provincie van Friesland" (1784), „Oude Friesche wetten met eene Nederduitsche vertaling en ophelderende aanteekeningen voorzien" (2 stukken 1782 en 1788) en „Verhandeling over het stemrecht in Friesland" (1792). Hij overleed den 318ten December 1811.

Wierdijk noemt men een dijk, die aan de buitenzijde bestaat uit een dikken van wier opgebouwden muur, wierriem, genaamd, en aan de binnenzijde uit een lichaam van grono, waartegen de wierriem steunt. Zij komen in ons land vooral voor waar het wier in de nabijheid in voldoende hoeveelheid te krijgen was, dus rondom het N. van de Zuiderzee, op Wieringen, Texel en in Friesland.

Wieren. Zie Wier.

Wieringen (zie de kaart van Noord-Holland), een eiland in de Zuiderzee, 2500 H.A. groot, met (1911) 3058 inwoners, wordt door het Amsteldiep van N. Holland gescheiden en ligt met zijn westelijkste punt slechts 300 m. van de Ewijksluis in den Anna Paulowna-Polder verwijderd. De bodem bestaat uit diluviaal zand; midden door het eiland loopt een zand- en grintrug, die o. a. keienleem bevat, een golvende oppervlakte heeft en nergens meer dan 4,3 m. boven A. P. ligt. In het Z. W. daalt hij met steilen rand, door den afslag der zee gevormd, in de zee. Langs die vaste kern vindt men, vooral in het Z., nog geringe afzettingen van zeeklei en zeezand. De laagste deelen van het eiland liggen gelijk met den zeespiegel. Het eiland is reeds eeuwen bedijkt; de dijken sluiten evenwel niet aan elkander, maar worden op sommige plaatsen door hooge gronden onderbroken. Op vele plaatsen vindt men nog dijken van zeewier, dat op de banken rondom het eiland groeit. De bevolking houdt zich bezig met veeteelt, landbouw, vischvangst en wiermaaien. Het eiland maakt één gemeente uit. Hypolitushoef, een net, welgebouwd dorp, is de aanzienlijkste plaats; verder vindt men er Westerland,

Oosterland, De Oever en nog een paar gehuchten4

Wieringen maakte eenmaal deel uit van de landen, die later verzwolgen werden bij het ontstaan en de uitbreiding der Zuiderzee. De overblijfselen van muurwerk, dijken en wegen, ten N. en Z. van het eiland gevonden, bewijzen, dat het bewoonde land hier eenmaal een grootere oppervlakte besloeg. Ook in de laatste eeuwen werd het herhaaldelijk door overstroomingen geteisterd, zoo in 1683,1717, 1725,1726,1775 en 1825. Ook van oorlogsrampen bleef het eiland niet verschoond. Zoo werd het reeds in 1184 door graaf Floris III van Holland geplunderd en gebrandschat, had het veel te lijden van de woelingen der Hoekschen in 1490, 1491 en 1492, werd het in 1552 geplunderd door de Gelderschen en in 1799 gebrandschat door de Engelschen.

Wieringerwaard, een gemeente in de provincie Noord-Holland, 1833 H. A. groot met (1910) 1113 inwoners, wordt begrensd door de Zuiderzee en door de gemeenten Barsingerhorn, Schagen, De Zijpe en Anna Paulowna. De bodem bestaat uit klei. Landbouw en veeteelt zijn de voornaamste middelen van bestaan. De gemeente is ontstaan door de bedijking van de slikgronden, waarvoor Adriaan Maartensz. Coetenburg in 1597 van de Staten van Holland en West-Friesland octrooi verkreeg.In 1608 was deze bedijking eerst voltooid. De gemeente bestaat uit het dorp Wieringerwaard of de Groote Buurt en een aantal verstrooide huizen.In de 18de en 19de eeuw werden in Wieringerwaard oude muren of wegen van tufsteen ontdekt.

Het dorp Wieringerwaard of de Groote Buurt bezit een Hervormde kerk en een gemeentehuis. De Doopsgezinde kerk staat in het Z. van de Waard.

Wiering-hen Borski. Gerard van, een Nederlandsch taalkenner, geboren te Vleuten den 298ten Januari 1800, studeerde te Utrecht in de letteren, werd in 1825 rector te Franeker, in 1830 te Zierikzee en in 1835 te Delft. Hier werd hij tevens schoolopziener en leeraar in de Nederlandsche lettenkunde en aan de Koninklijke Academie. Wij noemen van hem; „Handleiding tot de Mythologie" (5de druk, 1854), „Geschiedenis der Israëlieten" (1844), „Geschiedenis des Vaderlands in XLVIII afdeelingen" (3de druk, 1863), „Handleiding tot de theoretische beoefening van den Nederlandschen prozastijl" (1848), „Handleiding voor de practische oefening in de zinsontleding" (1856), „Wegwijzer bij de zinsontleding" (11 stukken 1852—1854), „De zinsontleding gegrond op redeontleding" (1856) en „De programma's voor de acten van bekwaamheid, tot het geven van lager schoolonderwijs, toegelicht" (1865). Hij overleed in het begin van Februari 1869.

Wierix, Jan, een Vlaamsch graveur van bijbelsche en historische tafreelen, tevens van portretten, werd geboren te Antwerpen in 1549 en overleed aldaar na 1615. Hij is de oudste en bekendste van de drie broeders-graveurs Wierix. Meest maakte hij kleine prentjes met bijbelsche tafreelen of geschienissen uit het leven der heiligen. Hij graveerde weinig eigene composities; veelal copieerde hij zijn meest populaire tijdgenooten, als Fr. Floris, M. v. Eeemskerck, M. de Vos, B. Spranger, J. Stradanus e. a., een enkele maal ook de oudere meesters o. a. Rogier van der Weyden, Pourbus, Mabuse en Quinten Massijs.

Sluiten