Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wierook (Olibanum, Thus), een gomhars, die uit insnijdingen in den stam van verschillende Boswelliasoorten in het N.0. van Afrika, in de nabijheid van Kaap Gardafui, en op een smalle strook in het midden van de Z. O. kust van Arabië verkregen wordt, vormt bijna kleurlooze, helder gele of bruine, wit bestoven, doorschijnende korrels. Zij kunnen gemakkelijk worden fijn gewreven, zijn wasachtig op de breuk, worden week in den mond, smaken naar terpentijn, maar niet onaangenaam en hebben, vooral bij verwarming, een aromatischen geur. Wierook bestaat hoofdzakelijk uit hars, een gomsoort en aetherische olie. Hij wordt gebruikt als reukwerk in de R. en Gr. Katholieke kerken, zelden als geneesmiddel. Het gebruik van wierook reikt tot in de grijze Oudheid. Reeds de Phoeniciërs en Egyptenaren lieten hem als één der grootste kostbaarheden uit Arabië komen. Ook levende planten werden aangevoerd en aan Ammm gewijd. De Arabieren betaalden een jaarlijksche schatting in den vorm van wierook aan Darius. Ook de Hebreeën en Grieken gebruikten hem voor hun reukoffers en te Rome was hij eveneens zeer in trek. Nero gebruikte er bij de begrafenis van Poppaea een ontzaglijke hoeveelheid van. De R. en Gr. Katholieke kerken gebruiken den wierook sedert Constantijn den Groote, de Chineezen sedert de 10de eeuw. De handelsplaatsen voor wierook zijn Aden, Bombay en Londen.

Wiertz, Antoine Joseph, een Belgisch schilder van historische tafreelen en genrestukken, werd geboren te Dinant den 22Bten Febr. 1806 en overleed te Brussel den 18den Juni 1865. Hij was een leerling van Herreyns en Van Bree, doch vormde zich voornamelijk door het bestudeeren van de werken van Michelangelo en Rubens. Na een reis in Italië vestigde hij zich eerst te Luik, daarna te Brussel, waar nog heden ten dage zijn huis en atelier (Musée Wiertz) tot een der bezienswaardigheden wordt gerekend. Zijn meestal kolossale doeken werden door zijn tijdgenooten en ook nu nog zeer verschillend beoordeeld. Ongetwijfeld is Wiertz een schilder van groote begaafdheid en enorme fantazie.

Wiesbaden, de hoofdstad van het gelijknamige distrikt in de Pruisische provincie HessenNassau en tot 1866 de hoofd- en residentiestad van het hertogdom Nassau, ligt in een fraaie omgeving aan de Z. helling van den Taunus. Vooral in de nieuwe wijken regelmatig aangelegd, bezit het een groot aantal prachtige gebouwen. Wij noemen daarvan: de nieuwe Protestantsche kerk, in Romaansch-Gotischen stijl van 1853—1862 door Boos gebouwd, de R. Katholieke Bonifaciuskerk, van 1844—1849 door Hoffman opgetrokken, de nieuwe Bergkerk (1877—1879), de Engelsche kerk (1862—1865) en (le synagoge op den zoogenaamden Michelsberg, een Moorsche koepelbouw (1869). Van de wereldlijke gebouwen verdienen vermelding: het koninklijk slot (1837—1840), een schilderijenmuseum, het nieuwe stadhuis (1884—1888), de rijksbibliotheek met 160 000 dln., het Palais Pauline (1842, in Alhambrastijl), het gebouw der ministeriëele departementen, in Florentijnschen paleisstijl, de nieuwe, prachtige hofschouwburg (1892—1894), het nieuwe paleis van Justitie (1894—1897), het nieuwe station, het nieuwe kurhaus (1904—1907) met prachtige zalen en het ruime park met een grooten vijver, een fontein ter hoogte van 36 m. en de gedenktee-

kens voor Heyl en Gustav Freyiag.'Yóór het kurhaus ligt het Keizer Frederikplein, omzoomd door fraaie hotels. Terzijde, naast de Alte Kolonnade, staat een gedenkteeken voor den dichter Bodemtedt, terwijl in de nabijheid van de groote drinkhal, op het Kranzplein, zich een fraaie Hygieiagroep bevindt. Van de andere gedenkteekens noemen wij dat voor keizer Frederik I, voor Schiller en dicht daarbij dat voor Bismarek, alsmede dat voor Willem den Zwijger. Op het Louisaplein staat het Waterloogedenkteeken, een obelisk, ter herinnering aan de Nassauers, die vielen in dien beroemden slag. Vlak ten N. van de stad ligt deNeroberg, met wijngaarden op zijn helling en verder bedekt met fraaie bosschen en parken. Op zijn helling staat de Russisch orthodoxe kapel met de fraaie sarcofaag van hertogin Elisabeth.Ket Nerodal en ook het ten N.W. van de stad gelegen Dambachdal, bevatten fraaie parken. Het aantal inwoners van Wiesbaden bedraagt (1909) 108 000. Zijn beteekenis ontleent het aan de minerale bronnen, in 1908 door 193 821 badgasten bezocht.

Reeds de Romeinen kenden haar onder de namen van Fontes Mattiaci (bij Plinius) of Aquae Maitiacae (bij Ammianus Marcellinus). Intusschen verwierf Wiesbaden zijn vermaardheid eerst in de 16ae eeuw. De talrijke bronnen verschillen minder in aard dan in warmtegraad (40—66° C); zij behooren tot de alkalisshe keukenzoutbronnen. Men heeft er in het geheel 23, waarvan de Kochbrunnen (69° C.) de Adlerbrunnen (64° C.) en de Schützenhofquelle (60° C.) zijn. Alle bronnen te zamen leveren 1,4 kub. m. water in de minuut. De warme bronnen van Wiesbaden worden gebruikt om te drinken en om te baden in gevallen van maagcatharrh en gebreken der spijsvertering, bij rheumatiek, haemorrhoïden, jicht en allerlei huidziekten. Verder bezit de plaats heilgymnastische en electrotherapeutische inrichtingen, 2 koudwaterinrichtingen enz. De nijverheid is van weinig beteekenis. Handel wordt bijna uitsluitend in wijn gedreven. Van de inrichtingen van onderwijs moeten genoemd worden :Fresenius' academische inrichting, 3 gymnasia, een hoogere burgerschool, 2 conservatoria, een ambachts- en een landbouwschool.

Wiesbaden dankt zijn oorsprong aan een kasteel, dat de Romeinen in het jaar 11 v. Chr. op het kruispunt van drie heerwegen bouwden. Van dat kasteel zijn in 1838 op de hoogte van den Heidenberg overblijfselen van muren ontdekt. Sedert de llde eeuw behoorde het aan het geslacht der graven van Nassau. In 1255 toegewezen aan de Walram'sche lijn, verviel het in 1355 aan den ouden Idsteinschen tak en in 1605 aan den tak Saarbrücken. In 1744 werd de zetel der regeering van Usingen hierheen verplaatst, en in 1815 werd Wiesbaden verheven tot hoofdstad van het hertogdom.

Wiese, Ladwig, een Duitsch opvoedkundige, geboren den 308ten December 1806 te Herford (Westfalen), studeerde te Berlijn in de godgeleerdheid, wijsbegeerte en letteren en werd in 1830 leeraar te Berlijn, in 1831 conrector te Klausthal, in 1833 prorector te Prenzlau en in 1838 professor aan het Joachimsthalsche gymnasium te Berlijn. In 1852 werd hij door Von Raumer als referent bij het ministerie van Onderwijs geplaatst. Na den vrede van 1871 werd hij belast met de organisatie van het middelbaar onderwijs in Elzas-Lotharinen, dat hij op een

Sluiten