Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

enz. Van zijn werken noemen wij: „Einleitung in die technische Miskroskopie" (1867), „Die Rohstoffe des Pflanzenreichs" (2de druk, 2 dln., 1900— 1903), „Die Entstehung des Chorophylis in der Pflanze"(1877), „Die heliotropischen Erscheinungen im Pflanzenreich" (2 dln., 1878—1880), „Das Bewegungsvermögen der Pflanzen" (1881), „Elemente der wissenschaftlichen Botanik" (3 dln.; dl. 1, 5de druk; 1906, dl. 2, 3dc druk, 1908; dl. 3,2de drok, 1902), „Die Elementarstruktur und das Wachstum der lebenden Substanz" (1891), „Untersuchungen über den Lichtgenusz der Pflanzen mit Rücksicht auf die Vegetation von Wien, Kairo und Buitenzorg" (1896), „Pflanzenphysiologische Mitteilungen aus Buitenzorg" (6 dln., 1894-1897), „Studiën über den Einflusz der Schwerkraft auf die Richtung der Pflanzenorgane" (1902), „Jan IngenHousz, sein Leben und sein Wirken" (1905), „Der Lichtgenusz der Pflanzen" (1907) en „Natur-GeistTechnik. Ausgewahlte Reden, Vortrage und Essays" (1910).

Wietersheim, Eduard von, een Saksisch staatsman, geboren den 10den September 1789 te Zerbst, studeerde te Leipzig in de rechten en werd nadat hij de veldtochten van 1813-—1814 had medegemaakt, geplaatst als staatsambtenaar. In 1830 werd hij directeur van de commissie voor verzekering tegen brand te Dresden, in 1835 chef van de afdeeling nijverheid bij het departement van Binnenlandsche Zaken en in 1840 minister van Eeredienst en Openbaar onderwijs. Als zoodanig stichtte hij de Koninklijke Saksische Academie van Wetenschappen te Leipzig. Na zijn aftreden in 1848 behield hij nog eenigen tijd het toezicht op de instellingen ter bevordering van Schoone Kunsten en trok zich in 1853 op zijn buitenverblijf Neupouch bij Bitterfeld terug. Wij noemen van hem: „Die Demokratie in Deutschland" (1848), „Der Feldzug des Germanicus an der Weser" (1850), „Zur Vorgeschichte deutscher Nation" (1852), „Geschichte der Völkerwanderung" (nieuwe druk door F. Dahn, 2 dln., 1880—1882). Hij overleed den 16den April 1865 op Neupouch bij Bitterfeld.

Wig1, een driezijdig prisma (ab c in fig. 1), dient om twee lichamen of deelen van één lichaam A en B van elkander te verwijderen. Daartoe brengt men de ribbe c van den scherpsten hoek tusschen beide in en oefent door hamerslagen op den rug a b van de wig een kracht K uit. Deze kan worden ontbonden in 2 componenten N, loodrecht op de flanken van de wig. Zij zijn des te grooter, naarmate

Fig. 1. Fig. 2. Fig. 3.

Wig. Spie. ' Keg.

de hoek bij c kleiner is, m. a. w. naarmate de wig scherper is. De wig is de grondvorm van alle snijwerktuigen: bijl, mes, beitel enz. In den machinebouw vindt zij eveneens een veelvuldige toepassing ter verbinding van constructiedeelen, bijv. om twee stangen A en B (fig. 2) met elkander te verbinden,

ter bevestiging van raderen of riemschrij ven op assen en trommels enz. In dit geval spreekt men gewoonijk van spie. De spie (fig. 2) onderscheidt zich van de eigenlijke wig alleen door het ontbreken van de scherpe ribbe c, of ook doordat de doorsnede abc geen gelijkbeenige, maar een rechthoekige dri'hoek is. la het laatste geval noemt men haar keg (fig. 3).

Wig-alois (ontstaan uit Guy Le Galois), eigenlijk Guinglain, de zoon van Gawan, een ridder uit den kring der Tafelronde, is de held van een roman „Wigalois, oder der Ritter mit dem Rad", dien Wirnt von Gravenberg (zie aldaar) naar Fransche bron bewerkte.

Wigan, een plaats in het N. W. van Engeland, midden in het steenkool- en ijzerbekken en 25 km. ten N. O. van Liverpool aan het kanaal van Liverpool naar Leeds gelegen, is een kruispunt van den London and North Western en den Lancasbire and Yorkshire spoorweg. Het bezit een Latijnsche school, een bibliotheek, een museum en een park en telt (1901) 60 764 inwoners. De nijverheid heeft vooral betrekking op katoenspinnerij en -weverij (1901:5000 arbeiders), linnenweverij, ijzergieterij en op de vervaardiging van chemicaliën, papier, snijwerktuigen, messing- en ijzerwaren en olie. In de steenkoolmijnen waren in 1901 7600 arbeiders werkzaam.

Wigand, Paul, een Duitsch geschiedkundige, geboren den 10den Augustus 1786 te Kassei, studeerde te Marburg in de rechten en de geschiedenis, werd redacteur van de „Politische Zeitung" te Kassei, in 1807 procurator bij de rechtbank te Kassei, later vrederechter te Höxter en eindelijk assessor bij het lands- en stadsgerecht aldaar. Na het verschijnen van zijn „Geschichte der gefürsteten Reichsabtei Corvei" (1819), werd hij belast met de taak, om de oorkonden te Corvei en een gedeelte van het archief te Paderborn te bewerken. In 1833 werd hij als directeur van het stedelijk gerechtshof overgeplaatst naar Wetzlar. Hij richtte het „Archiv für Geschichte und Altertumskunde Westfalens"(7 dln., 1826—1838) op en schreef: „Die Femgericlite Westfalens"(1825), „Die Dienste"(1828), „Der Corveische Güterbesitz" (1831), „Die Provincialrechte der Fiirstentümer Paderborn und Corvei" (3 dln., 1832), „Die Provincialrechte des Fürstentums Minden, der Grafschaften Ravensberg und Rietberg, der Herrschaft Rheda und des Amts Rechenberg" (2 dln., 1834), „Die corveischen Geschichtsquellen"(1841), „Traditiones Corbeienses" (1843), „Denkwürdigkeiten für deutsche Staats- und Rechtswissenschaft"(1854) en „Denkwürdige Beitrage für Geschichte und Rechtsaltertümer aus westfalischen Quellen" (1858). Hij overleed den 4den Januari 1866 te Wetzlar.

Wigand, Albert, een Duitsch plantkundige, geboren den 21slei1 April 1821 te Treysa in Keur-Hessen studeerde te Marburg, Berlijn en Jena, vestigde zich in 1846 als privaatdocent in de plantkunde te Marburg en werd aldaar in 1850 buitengewoon en in 1860 gewoon hoogleeraar en directeur van den plantentuin en van het instituut voor pharmacognosie. Van zijn geschriften vermelden wij: „Grundlegung der Pflanzen teratologie" (1850), „Intercellularsubstanz und Cuticula" (1850), „Botanische Untersuchungen" (1854), „Flora von Kurhessen und Nassau" (3de druk, 1879—1891), „Lehrbuch der Pharmakognosie" (4de druk, 1887), „Die Genealogie der

Sluiten