Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pergamon. Hij overleed den 3den Juni 1882 op een reis naar Parijs.

Wilbrandt, Adolf von, een Duitsch dichter en prozaschrijver, geboren den 248ten Augustus 1837 te Rostock, studeerde in de letteren en geschiedenis te Rostock, Berlijn en München, bepaald" zich in laatstgenoemde stad bij de letterkundige loopbaan, vertoefde gedurende eenige jaren op verschillende plaatsen en vertrok in 1871 naar Weenen, waar hij 'ra het huwelijk trad met de tooneelspeelster Auguste Baudius en in December 1881 tot directeur van den Hofschouwburg benoemd werd. Zijn eerste werk was de monografie: „Heinrich von Kloist" (1863), gevolgd door „Mensclien und Geister" (1865). Daarna schreef hij bijna uitsluitend voor het tooneel; het drama: „Der Graf von HammerstQin" (1870), alsmede de blijspelen: „Die Vermahlten" (1872), „Die Maler" (1872) en „Jugendliebe" (1873)" vonden grooten bijval. Gedurende zijn verblijf te Weenen schreef hij de treurspelen: „Gracchus, der Volkstribun" (1872), waarmede hij den Grillparzerprijs verwierf, „Arria und Messalina" (1874), „Giordano Bruno" (1874), „Nero" (1876), de blijspelen: „Die Wege des Glücks" (1876), „Die Reise nach Riva" (1877), „Der Turm in der Stadtmauer" (1878), de treurspelen „Kriemhild" (1877) en „Robert Kerr" (1880) en de tooneelspelen „Natalie" (1878), „Die Tochter des Herrn Fabricius" (1883) en „Assunta Leoni" (1883). In 1887 nam hij zijn ontslag als schouwburgdirecteur en vestigde zich te Rostock. Na dien tijd schreef hij voor het tooneel nog: „Markgraf \Valdemar"(1889), „Die Eidgenossen" (1896'), „Hairan" (1900), „Der Meister von Palmyra" (1889), waarvoor hij eveneens den Grillparzerprijs ontving, en „Timantra" (1903). Verder schreef hij een groot aantal novellen en romans; in sommige nam hij op een doorzichtige wijze bekende tijdgenooten tot hoofdpersoon. Wij noemen nog van hem: „Fridolins lieimliche Ehe" (1875), „Meister Amor" (2 dln., 1880), „Adams Söhne" (1890), „Hermann Ifinger" (1892), „Der Dornenweg" (1894), „Die Osterinsel" (1895), „Die Rothenburger" (i895), „Hildegard Mahlmann" (1897), „Der Sanger" (1899), „Erika" (1900), „Das lebende Bild" (1901), „Familie Roland" (1903), „Grosze Zeiten" (1904), „Fesseln" (1904), „Irma" (1906) en „Die Schwestern" (1906). Verder schreef hij een studie en een levensbeschrijving over Hölderlin, een levensbeschrijving van Fritz Reuter, het dichtwerk „Beethoven" en een aantal andere gedichten. In 1905 verschenen zijn „Erinneriingen." Hij overleed den 10den Juni 1911 te Rostock.

Wilckens, Martin, een Duitsch dierkundige, geboren te Hamburg den 3den April 1834, studeerde te Göttingen, Weenen en Würzburg in de geneeskunde en in de natuurwetenschappen, belastte zich met de armenpraktijk in zijn geboortestad, vertrok in 1859 naar Jena, kocht een landgoed in Silezië, vestigde zich later als privaatdocent in de dierenphysiologie te Göttingen en werd in 1872 hoogleeraar in de landbouwwetenschap te Rostock en nog in datzelfde jaar te Weenen. Van zijn geschriften vermelden wij: „Beitrage zur landwirtschaftliclien Tierzucht" (1871), „Die Algenwirtschaft der Schweiz, des Algaus und der west-österreichischen Alpenlander" (1874), „Die Rinderrassen Mitteleuropas" (1876), „Form und Leben der landwirtschaftliclien Haustiere" (1878), „Wandtafelti zur Naturgeschichte

der Haustiere" (1878 en 1880), „Der Hochschulunterricht für Land- und Forstwirte" (1879), „Grundzüge der Naturgeschichte der Haustiere" (1880), „Untersuchungen über das Geschlechtsverhaltnis und die Ursachen der Geschlechtsbildung bei Haustieren" (1886) „Briefe über landwirtschaftliche Tierzucht" (1887), „Landwirtschaftliche Haustierlehre" (2 dln., (1888—1889), „Nordamerikanische Landwirtschaft" (1890) en „Arbeitspferd gegen Spielpferd" (1894). Hij overleed den 9den Juni 1897.

Wilczek, Johann Nepomuk, graaf von, een noordpoolreiziger, geboren den 7den December 1837, een van de rijkste Oostenrijksche grondbezitters, nam als vrijwilliger deel aan den Oorlog tegen Pruisen in 1866 en deed vervolgens een aantal reizen. In 1872 werd de expeditie Payer-Weyprecht nagenoeg alleen door hem uitgerust. Hij vergezelde haar tot aan de Barentseilanden, waarna hij op de Petsjora en langs de Wolga terugkeerde. Ook is hij een ijverig bevorderaar van de stichting van meteorologische stations; zoo richtte hij in 1882 het Oostenrijksch meteorologisch station op Jan Mayen op. Wilczek is werkelijk geheimraad en kamerheer, erfelijk lid van het Heerenhuis en eerelid van de keizerlijke academie. Weenen heeft aan hem de oprichting van het modelhospitaal Rudolfliaus, van het studentenconvict en van de vrijwillige reddiugsmaatschappij te danken.

Wild, Franz, een Oostenrijksch operazanger, geboren den 31sten December 1792 te Niederhollabrunn in Neder-Oostenrijk, werd reeds vroeg koorknaap in Klosterneuburg, later zanger in de Hofkapel te Weenen, in 1809 in de kapel van Esterhazy te Eisenstadt, verbond zich in 1811 aan den ■schouwburg te Weenen en werd in 1813 als eerste tenorzanger bij de Hofopera te Weenen en in 1817 als kamerzanger te Darmstadt geplaatst. Nadat hij sedert 1820 korten tijd aan de Italiaansche opera te Parijs en vervolgens te Kassei was werkzaam geweest, keerde hij in 1830 naar Weenen terug, waar hij tot 1847 verbonden bleef aan het Karntnertortheater, vestigde zich daarna buiten betrekking te Oberdöbling bij Weenen en overleed aldaar den 2den Januari 1860.

Wild, Heinrich, een Zwitsersch meteoroloog, geboren den 17den December 1833 te Uster in het kanton Zürich, studeerde sedert 1854 te Zürich, Koningsbergen en Heidelberg, vestigde zich in 1858 te Zürich als privaatdocent en werd in datzelfde jaar hoogleeraar in de natuurkunde en directeur van de sterrenwacht te Bern. Aan deze sterrenwacht voegde hij een meteorologisch centraalstation voor het kanton Bern toe en legde hierdoor den grondslag voor het uitgebreide Zwitsersche net van meteorologische waarnemingen, dat in 1863 tot stand kwam. Ook werkte hij mede tot verbetering van het stelsel van maten en gewichten. In 1868 werd hij tot directeur van het centraal observatorium te Petersburg benoemd, waar onder zijn beheer een volledige reorganisatie en een groote uitbreiding tot stand kwam. In 1876 richtte hij een meteorologisch-magnetisch observatorium op te Pawlowsk. In 1894 nam hij zijn ontslag. Hij overleed den 5den September 1902 te Zurich. Door hem werd o. a. een polaristrobometer en een polarisatiephotometer uitgevonden. Sedert 1870 bracht hij als lid van de „Commissipn internationale du mè-

XVI

10

Sluiten