Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot in de hooge Oudheid kan worden nagegaan, berust op de voorstelling, dat de geesten van de afgestorvenen door de lucht rond trekken. Haar verband i met de godensage blijkt hieruit, dat men in NoordDuitschland thans nog zegt: de Wode tüt of de Wode jaget, d. i. Wodan trekt door de lucht. In Denemarken is koning Waldemar, in Engeland koning Artur de „wilde jager" geworden, die bijna steeds denzelfden weg neemt en alles met zich voortsleurt of doodt, wat niet uitwijkt of zich op den grond werpt. In Thuringen gaat daarom de trouwe Eckart den stoet vooraf, om de menschen te waarschuwen.

De grondtrekken van al deze demonische verschijnselen zijn overal dezelfde; zij komen in de meeste gevallen overeen met het wezen en de wijze van optreden van den oud-Germaanschen dondergod Wodan. Evenals deze, verschijnt de „wilde jager" te paard met hoed en mantel. Op kruispunten van wegen valt hij, om zich daarna weder op te richten. Zijn gevolg bestaat uit de geesten van afgestorvenen, die dikwijls zonder hoofd of afgrijselijk verminkt mede trekken. Gewoonlijk brengt hij verderf aan wien hij ontmoet; alleen wie op het midden van den weg blijft, of ter zijde wijkend op een gezaaid veld treedt, of eindelijk zich zwijgend op den grond werpt, dien spaart hij. In het algemeen is de sage van de wilde jacht over alle Germaan sche landen verspreid. Intusschen wordt zij ook aangetroffen in Frankrijk en zelfs in Spanje.

Wilde jager. Zie Wilde jacht.

Wilde kat of Boschkat. Zie Katten. Wildeling noemt men een zaailing, die gekweekt wordt met het doel om te dienen voor enting van veredelde variëteiten. Wildelingen ontstaan uit zaad. Zij bezitten met variatie de eigenschappen der moederplanten, waarvan ze afkomstig zijn. De eigenschappen, die wildelingen in 't algemeen moeten bezitten om voor de boomkweekers en later voor de verbruikers van planten voldoende waarde te hebben, zijn:

1. ze moeten voldoende hardheid bezitten, omdat de uitvoer van planten naar landen met ongunstiger klimaat dan het onze bezit, zoo goed als regel is;

2. de wildeling moet een flink wortelsysteem bezitten, gemakkelijk nieuwe en dunne wortels maken, zoowel in den vollen grond als in potten, waardoor het verplanten zonder veel schade geschieden kan en de veredelingstijd in een kweekbedding gemakkelijk wordt gepasseerd;

3. de wildeling moet minstens een even hoogen leeftijd bereiken als de variëteit, waarmede de veredeling plaats vindt;

4. de verdikking van de wildeling moet gelijken tred houden met die van de variëteit, zoodat stam en ent gelijk opgroeien.

Wilde mannen zijn in het Duitsche en Slavische volksgeloof, vooral ook in de Tirolsche volkssagen, half-dierlijke bewoners van de bosschen, afstammelingen van de klassieke faunen en silvanen, alwetende en kruidkundige, oorspronkelijke geesten en demonen van den plantengroei. Men noemde hen ook behaarden (Pilosi), omdat zij over het geheele lichaam behaard werden afgebeeld en aldus als wapenhouders in de kunst en heraldiek toepassing vonden. Van Silvanus is de Tirolsche naam Salvanet afgeleid. Daar zij ook worden afgebeeld als gekleed in boombast en groen mos noemde men hen eveneens mosmannetjes en\mosmjijes.

Wildenbruch, Ernst von, een Duitsch dichter, geboren den 3den Februari 1845 te Beiroet in Syrië, waar zijn vader, een onwettige zoon van prins Ludirig Friedrich Christian van Pruisen en Henriette Fromm als Pruisisch consul-generaal vertoefde, bracht zijn jeugd door te Athene en Konstantinopel, waar zijn vader gezant was, kwam in 1857 met zijn ouders naar Duitschland, bezocht het paedagogium te Halle, vervolgens het Fransch gymnasium te Berlijn en daarna de kadettenschool te Potsdam. Hij werd in 1863 luitenant bij het regiment der garde, maar nam weldra zijn ontslag, om in de rechten te studeeren. Hij voltooide zijn studiën aan de universiteit te Berlijn, nam deel aan de krijgstochten in 1866 en 1870, was van 1871 tot 1876 referendaris te Frankfort aan de Oder, werd daarna rechter in de stedelijke rechtbank te Berlijn en was sedert 1877 geplaatst bij het departement van Buitenlandsche Zaken in het Duitsche rijk. In 1889 kreeg hij den titel van legatieraad, in 1897 van geheim legatieraad. Hij overleed den 15den Januari 1909 te Berlijn. Als dichter werd hij het eerst bekend door zijn heldendichten: „Vionville" (1874) en „Sedan" (1875). Daarop volgden: „Lieder und Gesange" (1877), de vertellingen „Kindertranen" (1884, 37ste druk, 1906), het kunstenaarsverhaal „Der Meister von Tanagra" (1880), „Novellen" (1883), „Lieder und Balladen" (1884), „Neue Novellen" (1885), „Humoresken" (1886), „Der Astronom" (1887), „Das edle Blut" (1893), „Franceska von Riminï" (1892), „Eifernde Liebe" (1893), „Schwesterseele" (1894), „Claudias Garten" (1896), „Tiefe Wasser" (1898), „Unter der Geiszel" (1901), „Vize-Mama" (1902), „Semiramis" (1904), „Das schwarze Holz" (1905) en ,Lukrezia" (1907). Hij behaalde echter vooral veel roem met zijn tooneelwerken, waarvoor hij in 1884 en in 1896 den Schillerprijs ontving. Hiertoe behooren: „Die Karolinger" (1882), „Harold" (1882), „Der Mennonit" (1882), „Christoph Marlow" (1884), „Die Herrin ihrerHand" (1885), „Das neue Gebot" (1886), „Der Fürst von Verona" (1887), „Die Quitzows" (1888), „Die Haubenlerche" (1891), „Das heilige Lachen" (1892), „Meister Balzer" (1893), „Jungfer Immergrün" (1896), „Heinrich und Heinrichs Geschlecht" (1895), „Willehalm" (1897), „Die Tochter des Erasmus" (1900), „König Laurin" (1902), „Die Lieder des Euripides" (1905) en „Die Rabensteinerin" (1907). Voor laatstgenoemd stuk ontving hij den Grillparzerprijs. Uit zijn nalatenschap verscheen: „Blatter vom Lebensbaum" (uitgegeven door Litzmann, 1910).

Wildens, Jan, een Vlaamsch landschapschilder, werd geboren te Antwerpen in 1586 en overleed aldaar in 1653. Hij was een leerling van Pieter FUrrisz. Verhulst en werd reeds in 1604 meester in het St. Lucasgilde te Antwerpen. In 1613 ging liij op reis naar Italië en keerde eerst in 1618 terug. Bij zijn huwelijk, in 1619, was Rubens getuige. De zwager van zijn vrouw, Daniël Faurment, was de vader van Rubens' tweede vrouw. Jan Wildens schijnt echter pas later voor Rubens gewerkt te hebben. Na 1624 werkte hij voortdurend met dezen samen, doch schilderde hij tevens landschappen voor Jordaens, Frans Snijders, Comelis Schut, Theodoor Rombouts e. a. Zijn beide zonen waren zijn leerlin■ gen. Een schilderij van zijn hand bevindt zich in het Rijksmuseum te Amsterdam. Verder kan men

Sluiten