Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nerijen, vervaardiging van chemicaliën, teerproducren, sulfaten, olie, lijnkoeken, en ijzeren vakwerk, petroleumraffinaderijen, stoompannebakkerijen enz. en telt (1905) 22 359 inwoners.

Wilhelmshaven, een oorlogshaven in het Pruisische distrikt Aurich, ligt aan den Jadeboe-' zem, waarin hier het Eems-Jadekanaal uitmondt, en aan den spoorweg naar Oldenburg, bezit 2 Protestantsche en een R. Katholieke kerk, een gymnasium, een hoogere burger-, een ambachts-, een machinisten- en een stuurliedenschool, een opleidingschool voor dekofficieren, is de zetel van verschillende rechtbanken en telt (1905) 26012 inwoners. Het is het vlootstation voor de Noordzee en heeft als zoodanig een keizerlijke werf met droogdokken, hellingen, machinefabrieken, enz. Verder bezit het een weerkundig observatorium met een signaalstation. Wilhelmshaven ontstond, nadatPruisen in 1854 een gebied van 1079 H. A. oppervlakte voor den aanleg van een oorlogshaven in Oldenburg had aangekocht.

Wilhelmshöhe. Zie Kassei.

Wilibald Alezis. Zie Haring.

Wiljoeï {Wiloe, bij de Jakoeten Biljoe, Bulu en ook Irjoes), een linker zijrivier van de Lena in O. Siberië, ontspringt in het gouvernement Irkoetsk aan den berg Boer, betreedt spoedig de provincie Jakoetsk en mondt, in het geheel 2112 km. lang, met drie armen bij Oost-Wiljoeïsk uit in de Lena. Zij is zeer vischrijk en in haar benedenloop over een lengte van 1275 km. bevaarbaar. Echter is zij van October tot Mei met ijs bedekt. Aan haar oever heeft men steenkool en ijzererts, in holen ook mammouthbeenderen gevonden. Op den rechter oever, tegenover den mond van den Joen, ligt het plaatsje Wiljoeïsk met (1897) 627 inwoners.

Wilken, Friedrich, een Duitsch geschiedschrijver, geboren den 238ten Mei 1777 te Ratzeburg, studeerde te Göttingen in de godgeleerdheid en vervolgens in de Oostersche letteren en geschiedenis en werd in 1800 repetitor bij de theologische faculteit aldaar, in 1803 onderwijzer en opvoeder van Georg Wilhelm von Schaumburg-Lippe, dien hij naar de universiteit te Leipzig vergezelde, in 1805 hoogleeraar in de geschiedenis te Heidelberg en in 1807 directeur der universiteitsbibliotheek. Als zoodanig wist hij in 1815 te Rome de teruggave van de Palatijnsche bibliotheek (samen 891 handschriften) te bewerken. In 1817 werd hij opperbibliothecaris en hoogleeraar aan de universiteit te Berlijn. Later was hij historiograaf van Pruisen en hoogleeraar in de geschiedenis aan de militaire school. In 1826 ondernam hij een wetenschappelijke reis naar Italië en in 1829 een andere, in opdracht van het ministerie, naar Frankrijk en Engeland. Van zijn werken noemen wij: „Geschichte der Kreuzzüge (7 dln., 1807—1832), „Geschichte der Heidelberger Büchersammlungen" (1817), „Geschichte der königlichenBibliothekzuBerlin"(1828). Hij overleed, waanzinnig geworden, den 24sten December 1840 te Berlijn.

Wilken, dr. George Alexander, den 13deD Maart 1847 geboren te Tomohon in de Minahassa, werd in 1867 ingeschreven als student aan de Instelling tot opleiding van Indische ambtenaren te Delft, deed reeds in het volgende jaar het groot-ambtenaarsexamen en werd vervolgens benoemd tot ambtenaar

bij den burgerlijken dienst in Indië. In 1880 met verlof naar het moederland teruggekeerd, begon hij zich toe te leggen op de studie van Latijn en Grieksch en volgde hij te Leiden de colleges in Arabisch en Sanskriet. Reeds het volgende jaar werd hij aan bovengenoemde Instelling benoemd tot lector voor de land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië. In 1884 werd hij doctor honoris causa in de taaien letterkunde van den O.-I. archipel, en in 1885 werd hij benoemd tot hoogleeraar te Leiden, als opvolger van prof. P. J. Veth. Hij overleed reeds den 28sten Augustus 1891. Talrijk zijn de monografieën en tijdschriftartikelen van zijn hand. Na zijn dood gaf C. M. Pleyte de „Handleiding voor de vergelijkende volkenkunde van Nederlandsch-Indië" uit (1893).

Wilkens, Johannes Albertus, een Indisch taalgeleerde, geboren den 29sten Juli 1813 te Grissee op Java, werd in 1833 als leerling geplaatst aan het instituut voor de Javaansche taal en opleiding van ambtenaren te Soerakarta en klom op tot controleur 2de klasse bij de cultures. In 1835 werd hij, speciaal voor het Javaansch, tot onderwijzer aan deze inrichting benoemd, waaraan ook C. F. Winter werkzaam was. Toen het instituut in 1843 werd opgeheven, werd Wilkens op wachtgeld gesteld. Hij ontving echter den 10aen Januari 1844 een nieuwe benoeming in actieven dienst en werd met Winter met de samenstelling van een uitvoerig verklarend en omschrijvend Javaansch en Nederduitsch woordenboek belast. Van 1848—1851 vertoefde hij hiervoor in Nederland. Na den dood van Winter (1859) werd het werk door hem voltooid. Het berust in een handschrift van 26 foliodeelen in de universiteitsbibliotheek te Leiden, ook vindt men er een afschrift in 43 foliodeelen van de nieuwe bewerking, die door Wilkens alleen werd vervaardigd en waarvan het origineel zich in het Translaatbureau te Soerakarta bevindt. Het werk is de grondslag van den 411611 druk van het Javaansch- Nederlandsch woordenboek van Gericke-Roorda, vermeerderd door Vreede en Gunning (1901). In 1883 ontving Wilkens pensioen, hij overleed te Soerabaja den 19den December 1888. Behalve de brochure: „Het inlandsche kind in Oost-Indië en iets over den Javaan" (1849) verschenen zijn overige werken in het „Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië." Hiertoe behooren: „Overzigt der geschiedenis van Java, grootendeels uit oorspronkelijke inlandsche bronnen geput", een uitgave, vertaling en inleiding van het wayangverhaal „IregiwcV en een uitgave met vertaling en woordenboek van het gedicht „Séw&M."

Wilkes, John, een Engelsch schrijver, geboren te Londen den 17den October 1727, studeerde te Leiden en werd in 1757 lid van het Lagerhuis. Tegenstander van de politiek der regeering van George 111, bestreed hij haar, met name den minister Bute, in verschillende vlugschriften, terwijl hij met hetzelfde doel in Juni 1762 het tijdschrift: „North Brion" in het licht gaf. Op last van den staatssecretaris Halifax werd hij daarop als redacteur van genoemd tijdschrift gevangen genomen. De rechtbank evenwel beval, omdat hij parlementslid was, zijn in vrijheid stelling, waarna hem zelfs een schadeloosstelling werd toegekend. Het Parlement koos echter de zijde van de regeering en verklaarde hem in 1764 van zijn waardigheid vervallen. Bij de verkiezingen van 1768 keerde Wilkes uit Frank-

Sluiten