Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorzichtigheid haalde hij zich scherpe verwijten op den hals, daar men aan hem de schuld van het slechte verloop van den veldtocht weet. In den oorlog tegen Frankrijk van 1870 voerde hij bevel over de ls,e Badensche brigade en werd bij Nuits zwaar gewond. Van 1871—1873 maakte hij deel uit van den Rijksdag; ook was hij voorzitter van de Badensche Eerste Kamer. Hij overleed den 278ten April 1897.

Willem, Frederik Nikolaas, hertog vanMecklenburg, geboren den 5den Maart 1827, nam dienst in het Pruisische leger, werd commandant van het 6de regiment kurassiers en trad den 9del1 December 1865 in het huwelijk met prinses Alexandrine van Pruisen. In 1866 voerde hij als generaal-majoor het bevel over een brigade cavalerie en in 1870—1871 als luitenant-generaal over de 6de afdeeling cavalerie. Den 9den September werd hij bij de ontploffing te Laon gewond; in de gevechten bij Le Mans (Januari 1871) bleek zijn gebrek aan voortvarendheid. Van 1873—1874 was hij commandant van de 22ste divisie te Kassei, waar hij algemeene ergernis verwekte door zijn losbandigheid, zoodat hij op wachtgeld werd gesteld. Hij overleed den 28sten Juli 1879.

Willem, Frans Karei, aartshertog van Oostenrijk, geboren den 21Bten April 1827, koos de militaire loopbaan, nam als vrijwilliger deel aan den Italiaanschen Oorlog van 1848 en 1849 en als inspecteur der veld-artillerie aan dien van 1859. In 1862 werd hij gouverneur van Mainz en in 1864 inspecteur-generaal der artillerie en veldmaarschalk. In den slag bij Königgratz (1866) voerde hij bevel over de artillerie en werd gewond. Hij overleed den 29'ten Juli 1894 te Baden bij Weenen.

Willem, Frederik Karei, prins van Pruisen, derde zoon van koning Frederik Willem II, geboren te Berlijn den 3den Juli 1783, diende sedert 1799 bij de garde, streed in 1806 aan het hoofd van een brigade cavalerie bij Auerstadt en vertrok in 1807 naar Parijs om van Napoleon een vermindering te verkrijgen der aan het land opgelegde oorlogslasten. In 1808 vertegenwoordigde hij Pruisen op het Congres te Erfurt. Gedurende den oorlog van 1813 bevond hij zich in het hoofdkwartier van Blücher en in den slag bij Lützen (2 Mei) voerde hij bevel over de reserve-cavalerie, waarna hij in den slag bij Leipzig de vereeniging tot stand bracht van het noorderleger met dat van Blücher. Na den vrede van Parijs vergezelde hij den koning naar Londen en nam hij deel aan de onderhandelingen van het Congres te Weenen. Sedert den Tweeden Vrede van Parijs vertoefde hij bij afwisseling aldaar en op zijn kasteel Fischbacli bij Schmiedeberg in Silezië. Van 1824—1829 was hij gouverneur van Mainz en van 1830—1831 gouverneur-generaal 'van de Rijnprovinciën en van Westfalen, waarna hij zich vestigde te Keulen. Na het overlijden van zijn gemalin Maria Anna, een dochter van landgraaf Frederik Lodewijk van Hessen-Homburg, zonderde hij zich geheel en al af op Fischbacli. Hij overleed te Berlijn den 28sten September 1851.

Willem XI, graaf van Poitiers, geboren in 1071, de oudst bekende minnezanger, een machtig en geestig, maar tevens lichtzinnig vorst, regeerde van 1087—1127 en nam deel aan den ongelukkigen Kruistocht van 1101. Na zijn terugkeer bezong hij „en vers badins", zooals Vilal zegt, de avonturen van dezen tocht. Een elftal van zijn liederen is bewaard gebleven; zij onderscheiden zich door beval¬

ligheid en door eenvoud van vorm en geven getuigenis van zijn dichterlijke gaven. Zij werden uitgegeven door Holland en Keiler (1850) en door Jeanroy (1905).

Willemer, Marianne von, geboren Jung, geboren den 208tenNovember 1784 te Ling a.d. Donau, kwam in 1789 als lid van het gezelschap van den balletmeester Traub naar Frankfort, waar zij optrad in zoogenaamde divertissementen. Zij kwam in 1800 als pleegdochter in het huis van den bankier Johann Jakób von Willemer, in die dagen voorzitter der schouwburgcommissio te Frankfort, met wien zij in

1814 huwde. Daar leerde Ooethe haar kennen, toen hij zijn vriend von Willemer bezocht. In Augustus

1815 keerde hij voor een langer verblijf terug en vond in de dichterlijke, begaafde vrouw het beeld belichaamd van Suleika in zijn „Westöstlicher Divan", waaraan hij toen werkte. Verschille de gedichten daarvan („An den Westwind") zijn van haar afkomstig. Zij overleed den 6den November 1860 te Frankfort a. d. Main.

Willemiet is een mineraal, dat uit kiezelzuur zink (ZnaSi04) bestaat en in kleine rhombische kristallen of als kleine, fijnkorrelige aggregaten voorkomt. De hardheid bedraagt 5,5, het soortelijk gewicht 4,1. Het mineraal is kleurloos, geel, bruin, ook groen gekleurd, vetglanzend en doorschijnend. Het wordt o.a. gevonden in den Altanberg (bij Aken), bij Stirling en Franklin in New-Yersey.

Willems, Jan Frans, een Vlaamsch letterkundige, geboren den lldcn Maart 1793 te Bouchout, een dorp bij Antwerpen, was de zoon van een zaakwaarnemer, gezworen landmeter en ontva"ger der belastingen, werd voor het kosterambt bestemd en bezocht eerst in 1804 een school te Contich en vervolgens te Lier, om Latijn, zingen en orgelspelen te leeren. Hij onderscheidde zich reeds als knaap door een groote voorliefde voor de letterkunde, die aangemoedigd werd door het lid van den gemeenteraad Bergmann en door de dichters Bawwens en Ceulemans, die hem onderwijs gaven en van boeken voorzagen. Op 14-jarigen leeftijd trad hij reeds op als speler in het rederijkersgezelschap: „De Cecilianen". Toen zijn vader zijn betrekkingen verloor, vervaardigde hij een hekeldicht op de maire van Bouchout. In 1809 werd hij als klerk geplaatst te Antwerpen bij den Notaris van Puyenaer. Hier was hij lid van het taal- en dichtlievend genootschap: „Tot nut der jeugd". In 1811 dong hij mede in een wedstrijd tot het vervaardigen van een: „Geboortezang aan den Koning van Rome" en het volgende jaar behaalde hij te Gent den eersten prijs met een gedicht op het onderwerp: „De slag van Friedland en de Vrede van Tilsit". Met geestdrift bezong hij achtereenvolgens den val van Napoleon, het herstel der Nederlandsche taal door Wülem I en de vereeniging van Noord- en Zuid-Nederland. Hij ijverde in zijn gedicht „Aen de Belgen"(1818) voor de Nederlandsche taal en de Nederlandsche regeering, die in dezen tijd impopulair begon te worden. Hierdoor en door zijn „Verhandeling over de Nederduytsche tael- en letterkunde, opzigtelijk de zuidelijke provintiën der Nederlanden"(1819—1834) werd hij vooral in Noord-Nederland bekend. De Nederlandsche regeering verleende hem het lidmaatschap van het Koninklijk Instituut te Amsterdam. In 1815 was hij benoemd tot adjunct-archivaris van de stad Antwerpen_en den 30Btel1 November 1821 tot

Sluiten