Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontvanger van registratie aldaar, terwijl hij den 20»ten Juli 1827 den titel ontving van lid der koninklijke commissie voor geschiedenis. In dezen tijd werd hij bekend met Potgieter, die voor zaken te Antwerpen vertoefde en opwien hij veel invloed had. Daar Willems in de Belgische Omwenteling partij koos voor Noord-Nederland en zich met kracht tegen de scheiding verzette, viel hij bij het Belgisch bestuur in ongenade en werd den 17den Januari 1831 als ambtenaar der registratie verbannen naar het stadje Eekloo bij Gent. Daar hield hij zich voornamelijk bezig met den Nederduitschen tekst van den „Reinaert", waarvan hij den Vlaamschen oorsprong aantoonde. In 1834 gaf hij een Nieuw-Nederlandsche vertaling van dit werk in het licht, in 1836 leverde hij een uitgave van het oorspronkelijke gedicht met aanteekeningen. Voor zijn Reinaertvertaling plaatste hij een oproeping aan de Belgen om voor de rechten van hun taal te strijden, waarmee hij den stoot gaf tot de Vlaamsche beweging, waarvan hij wel de vader wordt genoemd. In 1835 werd hij benoemd tot ontvanger van registratie te Gent. In hetzelfde jaar werd hij lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen te Brussel, terwijl hij voor en na het lidmaatschap ontving van vele geleerde genootschappen in Nederland. In 1836 richtte hij het „Belgisch Museum"op (10 dln., 1836— 1846), waarvan hij redacteur werd. Als lid van de in 1836 ingestelde commissie voor de Vlaamsche spelling was hij ijverig werkzaam. Den 24sten Juni 1846 begaf hij zich naar het stadhuis te Gent, om als voorzitter der Fonteinisten de gekrenkte rechten dezer vereeniging van Vlaamsche tooneelliefhebbers te verdedigen. Aldaar werd hij door een beroerte getroffen en overleed eenige uren daarna. Tot zijn geschriften behooren, behalve de reeds genoemde, een aantal uitgaven van Middelnederlandsche werken, zooals: „Rijrnkronyk van Jan van Heelu" (1836), „Van den derden Edewaert, rijrnkronyk geschreven door J. de Klere van Antwerpen"(1840) en „De Brabantsche Yeesten"(1839—1843). Verder schreef hij: „De puynhoopen rondom Antwerpen of bespiegeling op het verledene"(1814), „Den ryken Antwerpenaer of de hebzuchtige neven" blijspel (1816), „Antwerpens vreugd bij de wederkomst der schilderstukken, door de Franschen haar vroeger ontroofd"(1816), „De kunsten en wetenschappen", gedicht(1817), „Quint en Matsys of wat doet de liefde niet", tooneelspel (1816), „Lykrede op Johannes Abraham Terbruggen"(1819), „By 's Konings komst te Antwerpen"(1822), „Over de poëzy van den dichter en van den schilder"(1823), „Over de Hollandsche en Vlaemsche schryfwyze"(1824), „Over het karakter van den Nederlandschen schilder"(1825), „Oude bevolking der provincie Antwerpen"(1826), „Almanak met vaderlandsche herinneringen op eiken dag van het jaer"(1826—1827), „Historisch onderzoek naar den oorsprong en den waeren naem der openbare plaetsen en andere oudheden van de stad Antwerpen" (1828), „Maria van Brabant", dichtstuk (1828), „De la langue Belgique"(1828), „Mengelingen van historisch-vaderlandschen inhoud"(1827—1830), „Voorzeggingen van de Heilige Hildegarde omtrent de Belgische omwenteling" (1831), „Over eenige Nederlandsche eeden en vloeken"(1834), „Leerboek van de voornaamste regels der Nederduitsche vescificatie en dichtkunst, gestaeft door voorbeelden enz."(1840), „Redevoering,

uitgesproken bij de opening van het Vlaemsch feest, den 24Bten October 1841"(1841), „Beslissing der Koninglijke Commissie wegens de geschilpunten in het schryven der Nederduitsche tael enz"(1839), „Nog iets ter verdediging der taelcommissie"(1839), „Brief aan den professor Bormans over de tweeklanken uil en ij"(1841), „Over den geest, waerdoor de Vlaemsche letterkunde zich moet doen onderscheiden"(1844) en „Oude Vlaemsche liederen" (1848), na zijn dood uitgegeven doorSnellaert.Yerder leverde hij een groot aantal bijdragen in jaarboekjes en tijdschriften. Zijn letterkundige nalatenschap verscheen in 1856, zijn brieven in 1874, een „Keus van dicht- en prozawerken in 1875" (2 dln.). Zijn leven werd beschreven door Snellaert (1847), Max Rooses (1874) en Btruchery (1876). Te Gent werd een standbeeld voor hem opgericht. Het Willemsfonds (zie aldaar) is naar hem genoemd.

Willems, Fbrent, een Belgisch genreschilder, geboren te Luik in 1812, bezocht de schilderscholen te Mechelen, Antwerpen en Brussel en hield zich aanvankelijk bezig met het herstellen van oude doeken. Daardoor maakte hij zich bekend met de oude Vlaamsche kunst, zoodat hij weldra stukken leverde in den trant van Terburg en Metzu. In 1878 werd hij lid van de Belgische Academie en in 1882 vestigde hij zich te Parijs, waar hij den 22sten October 1905 overleed. Tot zijn beste stukken behooren: „Eene verkooping van schilderijen" (in 1853 op de tentoonstelling te Brussel), „De weduwe" (in het kabinet van Praet te Brussel), „De feestdag bij de grootouders" (museum te Brussel) en „Na den doop" (1885, in het bezit van den graaf Grimbergh te Parijs).

Willems, Seraphien Cornelis Amandus, een Belgisch letterkundige en tooneelschrijver, geboren den 5den Augustus 1818 te Brussel, waar hij een betrekking bekleedde bij de Compagnie du Centre. Hij schreef o. a.: „Mijnheer Moffel "(Brussel 1847), „Een Hartstocht" (aldaar 1848), „De Hertog van Alva" (Gent, 1848), bekroond, „Oorspronkelijke boertige tooneelliederen" (1852), „Willem Beukels, oorspronkelijk zangspel" (1853, met Stroobant), ,,'s Knechten wil is 's meesters wil, tooneelspel" (1853, met Roelants), „Iets van achter de gordijn, eene schets naer de waerheid" (1854), „Eene gelukkige huwelijksgetuige, tooneellied" (1856), „De jeugd van Linneus, historisch blijspel met zang" (1859), „Het Vlaemsch tooneel, deszelfs oorsprong, wat het vroegerwas en wat het thans dient tewezen" (1859), „Toorteelstukjes voor jongens- en meisjesscholen" (1859), „Tooneelluimen" (1859), „De Baes uit den Rooden Ezel" (1862), „De Visschersdochter, dramatische roman" (1863), „De scheefgemutste enz." (1863), „Durfde ik 't haar eens zeggen" (1865), „De verdiensten der Vlamingen onder het oogpunt der kunsten, letteren en wetenschappen" (1865), „Verslag over den toestand van het Vlaemsch tooneel te Brussel van 1860—1864" (1865), „Bundel tooneelliederen" (1872), „Verhandeling over den neusklank in den Brusselschen tongval" (1872), „Historische bijdragen en verhalen" (1877), 's Lands praal en pracht" (2 dln., 1873), „Openbare plechtigheden gedurende de regeering van Koning Leopold den eerste, 1831—1865" (Brussel, 1880), alsmede een groot aantal bijdragen in tijdschriften. Hij overleed den 278tett September 1883.

Willems, Al/ons, een Vlaamsch letterkundige,

Sluiten