Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geboren den 21s,en Februari 1839 te Brussel, studeerde aldaar en promoveerde in de wijsbegeerte en letteren. Hij is professor van Grieksche taal en letterkunde aan de Universiteit van Brussel en houdt zich met Grieksche letterkunde, met bibliographie en met Nederlandsche letterkunde bezig. Hij heeft verscheiden jaren in Griekenland gewoond, om daar het oude en 1 ieuw Grieksch te bestudeeren. Tot zijn voornaamste werken behooren de studiën over Aristophanes, die hij in de uitgaven der Belgische academie deed verschijnen. Hij vervaardigde eene Fransche vertaling van dezen, zijnen geliefkoosden schrijver, die echter tot heden niet in druk verscheen. Hij schreef verder eene studie over „Reinaert de Vos" (Gent 1857), bezorgde eene uitgave over den „Bijenkorf van Marnix (Brussel, 1868), vertaalde uit het Nederlandsch in het Fransch eene studie over Rembrandt door Dr. P. Scheliema (Brussel 18B9) en eene over Frans Hals door Vosmaer (Leyden, 1873). Ook schreef hij een volledige bibliografie der Elseviers (Brussel, 1880) en leverde verder tal van artikelen in tijdschriften en dagbladen.

Willems, Frans, een Vlaamsch letterkundige, geboren den 208ten Maart 1839 te Oelen in de provincie Antwerpen, ontving zijn opleiding aan de normaalschool te Lier, werd eerst hulp- toen hoofdonderwijzer en in 1876 benoemd tot kantonnaal schoolopziener te Antwerpen, waar hij tevens werkzaam was als leeraar in de wiskunde aan de school van nijverheid. Hij overleed aldaar den 3den Maart 1896. Hij schreef: „Goethe's Herman en Dorothea, gedicht in negen zangen" (1864), „De Heiland, dichterlijke bespiegelingen" (1870), „Eerste liedjes voor de jeugd" (1871) en „Driestemmige liederen voor de schooljeugd" (1868—1874, 7 dln.), alsmede bijdragen in verschillende tijdschriften over taalkunde en onderwijs.

Willems, Peter Kasper Huibrecht, een Vlaamsch letterkundige, geboren den 6den Januari 1840 te Maastricht, studeerde daar aan het athenaeum, bezocht vervolgens de hoogeschool te Leuven, promoveerde in de letteren, oefende zich verder aan de hoogescholen te Parijs, te Berlijn en te Leiden en werd daarna hoogleeraar in de Grieksche en Romeinsche oudheden aan de hoogeschool te Leuven. Hij was algemeen voorzitter van het Davidsfonds en eerste voorzitter der Koninklijke Academie van Taal- en Letterkunde. De Grieksche Oudheden doceerde hij een paar jaren, de Latijnsche Oudheden en Letterkunde zijn geheele leven; ook de geschiedenis der Vaderlandsche Letterkunde onderwees hij een viertal jaren. Hij verwierf een goeden naam als wetenschappelijk beoefenaar van de geschiedenis der Oudheid en als Nederlandsch taalkundige. Groote verdiensten verwierf hij zich als voorstander der Vlaamsche Beweging. Hij overleed te Leuven den 23sten Februari 1898. Van zijn werken op het gebied der Grieksche en Romeinsche Oudheden noemen wij de 6 uitgaven (van 1870 tot 1888): de eerste onder den titel van „Les Antiquités romaines envisagées au point de vue des institutions politiques" (Leuven, 1870); de tweede uitgaaf: Le droitpublic romain depuis 1' origine de Rome jusqu' a Gons tan tin le Grand" (Leuven 1872), „Le Sénat de la Republiqueromaine" (2 uitgaven Leuven 1878, 1883, Registers Leuven 1885) en tal van studiën over den Romeinschen Senaat in tijdschriften en in het Bulletin der Kon. Academie. Van zijn werken- op het gebied der

Vlaamsche Taalkunde'1 en der Vlaamsche Beweging moeten genoemd worden: „De Verdiensten van hoogleeraar J. B. David op het gebied der Nederlandsche taal en letterkunde (Leuven, 1867), „Nederlandsche gedichten met taal en letterkundige aanteekeningen van wijlen hoogleeraar J. B. David" (Leuven, 1869), „Dautzenberg herdacht" (Congres Leuven, 1869), „Over de verbuiging der zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden en voornaamwoorden" (Brussel, 1871). Verder verschenen van zijn hand een tweetal levensschetsen in de verslagen der Kon. Academie, n.L „Notice sur Jean Henri Bormans" (1881) en „Notice sur Louis Ch ré tien Roersch" (1893), benevens tal van bijdragen over de bibliografie der Nederlandsche dialecten.

Willemsfonds, de naam van een Belgische vereeniging, die in 1851 te Gent werd gesticht met het doel de studie en het gebruik van de Nederlandsche taal aan te moedigen en alles te behartigen, wat kan bijdragen tot de verstandelijke en zedelijke ontwikkeling der Vlaamsche bevolking, ten einde op die wijze den algemeenen nationalen volksgeest in België te versterken. Tot haar oprichters behooren o.a. Snellaert, Serrure, De Saint-Genois en Degerickx. De vereeniging werd genoemd naar Jan Frans Willems (zie aldaar) en nam snel in bloei toe, vooral nadat Vuylsteke in 1862 secretaris-schatmeester was geworden. In 1867 werd de eerste volks bibliotheek, in 1868 de eerste afdeeling te Gent gesticht, waarop de voornaamste overige Vlaamsche steden volgden. Thans bezit het Willemsfonds 39 afdeelingen en 46 volksbibliotheken. In den laatsten tijd heeft men ook rondreizende bibliotheken. De afdeelingen geven openbare volksvoorstellingen met Vlaamschen zang en Vlaamsche voordrachten. Verder geeft het fonds boeken uit. Sedert 1886 is er een afzonderlijk comité gevormd, dat voor de uitgave van zangstukken zorgt. Het aantal leden bedroeg in 1851 bij de oprichting 38, in 1861 was dit tot 184 geklommen. Daarna volgde een tijdperk van grooten bloei, zoodat het ledental in 1884 tot 4544 was gestegen; vervolgens daalde het weer tengevolge van verschillende omstandigheden, o.a. door den toenemenden bloei van het Davidsfonds (opgericht 1876, als Katholieke tegenhanger van het liberale Willemsfonds), zoodat het ledental in 1902 nog slechts 2098 bedroeg. Na dien tijd ontstond er weder een toeneming en thans bedraagt het ongeveer 2400.

Willemsoord, Zie Maatschappij van Weldadigheid.

Willemsoord, Koninklijk Instituut voor de Marine te, is een inrichting, die bestemd is tot opleiding van jongelingen tot officier bij de marine. Op den dag, waarop het verblijf aan het Instituut een aanvang neemt, gaan de jongelingen voor onbepaalden tijd een dienstverband aan bij de Koninklijke Marine als adelborst der 24e klasse, 3° afdeeling. Examen wordt niet afgelegd. De aanneming geschiedt door een, jaarlijks door de koningin te benoemen commissie van aanneming, volgens de overgelegde einddiploma's H. B. S. 5-j. cursus en de getuigschriften van voldoend afgelegd examen A en B. Op 1 September van het jaar van toelating mag het 21e levensjaar nog niet zijn ingetreden. De opleiding duurt drie jaren, waarvoor f 1200 wordt betaald. Het is toegestaan ten tweede male een zelfden cursus te volgen. Hij, die tot het instituut wordt toegelaten, is verplicht om na zijn benoeming tot

Sluiten