Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(1836) en „Inklings of adventure" (1836), de reisverhalen: „Loiterings of travel" (2 dln., 1839) en „Letters from under a bridge" (1840), alsmede de treurspelen: „Bianca Visconti" en „Tortesa the usurer", die in den Amerikaanschen schouwburg met bijval werden ontvangen. Ook bracht hij een geïllustreerde uitgave van zijn gedichten in gereedheid (1840) en leverde vervolgens: „Dashes at life with a free pencil" (1845), „People I have met" (1850) en „Sketches of scenery, celebrities and society" (1851). Met Morris stichtte hij in 1846 het letterkundig dagblad: „Home Journal". Daarna schreef hij: „A Summer cruise in the Mediterranean" (1852), „A health-trip to the Tropics" (1853), „Famous persons and places" (1854) en „Outdoors at Idlewild" (1854). Hij overleed te New York den 20sten Januari 1867. In 1869 verscheen een nieuwe uitgave van zijn „Poetical works".

Willisen. Wilhelm von, een Pruisisch generaal, geboren den 30Btei1 April 1790 te Staszfurt, was gedurende den veldtocht van 1806 als jonker geplaatst bij een regiment infanterie, studeerde na den Vrede van Tilsit eenige jaren te Halle, nam daarna weder dienst (1809) bij een Oostenrijksch vrijkorps, waarmede hij in Tirol en Italië streed, en trad in 1811 weder in de Pruisische gelederen. Gedurende de veldtochten van 1813 tot 1814 diende hij als officier van den generalen staf bij de Silezische armee en in 1815 als kapitein bij den generalen staf van Blucher. Later werd hij bij den grooten generalen staf geplaatst, waarna hij aan de militaire school te Berlijn werd belast met het onderwijs in krijgskunst en krijgsgeschiedenis. In 1840 werd hij kolonel en chef van den generalen staf van het 5de armeekorps in Posen en in 1843 generaal-majoor en kommandant van een brigade te Breslau. In Maart 1848 benoemde de koning hem tot gevolmachtigde in Posen, om de reorganisatie van het hertogdom te bevorderen, maar hij haalde door zijn toegevendheid jegens de Polen zich den wrevel der Duitschers en het ongenoegen van het Hof op den hals.Daarom begaf hij zich met verlof naar Parijs en vertrok in den winter van 1848 naar Italië, om den veldtocht van de Oostenrijkers tegen Sardinië bij te wonen. In 1849 kreeg hij als luitenant-generaal zijn ontslag, doch werd in 1850 opperbevelhebber van het Sleeswijk-Holsteinsch leger, dat onder zijn bevel zeer ongelukkig streed. Na de nederlaag bij Idstedt en den vruchteloozen aanval op Friedrichstadt legde hij het commando neder, woonde eenige jaren te Parijs en keerde vervolgens terug naar Sleeswijk. Hij overleed te Dessau den 258ten Februari 1879. Hij schreef „Theorie des groszen Kriegs" (dl. 1 en 2: „Der russisch polnische Feldzug des Jahrs 1831", 1841, dl. 3: „Der italienische Feldzug des Jahrs 1848", 1849), daarbij als deel 4 „Die Feldzüge der Jahre 1859 und 1866" (1868) en „Akten und Bemerkungen über meine Sendung nach dem Groszherzogtum Posen im Frühjahr 1848" (1850).

Willkomm, Ernst Adolf, een Duitsch romanschrijver, geboren den 10aen Februari 1810 te Herwigsdorf bij Zittau, studeerde in de rechten en daarna in de wijsbegeerte te Leipzig en wijdde zich vervolgens eerst aldaar en vervolgens te Lübeck, en te Hamburg aan letterkundigen arbeid. Nadat hij in laatstgenoemde stad als journalist was werkzaam geweest, stichtte hij met zijn echtgenoote Marie

Rosendahl een kostschool, maar vestigde zich na haar overlijden (1880) te Zittau, waar hij den 24slel Mei 1886 overleed. Hij bewoog zich als dagblad- en romanschrijver aanvankelijk in de richting van het „Jonge Duitschland". Zijn romans: „Die Eurepamüden" (1838), „Lord Byron" (3 dln., 1839), „Eisen, Gold und Geist" (1843) en „Die Nachtmahlsbrüder in Rom" (3 dln., 1847) geven daarvan getuigenis. Daarop volgden de verhalen: „Grenzer, Narren und Lotsen" (1842) en „Sagen und Marchen der Oberlausitz" (1845). Van zijn latere romans en novellen noemen wij nog: „lm Wald und am Gestade" (1854), „Die Familie Ammer" (1855), „Reeder und Matrose" (2 dln., 1857), „Verirrte Seelen"(3 dln., 1860) en „Ein Stiefkind des Glücks."

Willkomm, Heinrich Moritz, een Duitsch plantkundige, een broeder van den voorgaande, geboren te Herwigsdorf bij Zittau den 29sten Juni 1821, studeerde te Leipzig in de natuur- en geneeskunde, begaf zich in 1844 in opdracht van een botanisch genootschap naar Spanje, om aldaar planten te verzamelen, en zette vervolgens van 1846 tot 1849 te Leipzig zijn studiën voort. In 1850 deed hij een tweede reis naar Spanje. In 1852 vestigde hij zich te Leipzig als privaatdocent in de plantkunde, werd in 1855 benoemd tot hoogleeraar te Tharandt en in 1868 te Dorpat. In 1873 bezocht hij de Balearen en het zuiden van Spanje. Van 1874—1892 was hij hoogleeraar te Praag en directeur van den botanischen tuin aldaar. Hij overleed den 26"en Augustus 1895 op het slot Wartenberg in Bohemen. Van zijn geschriften noemen wij: „Zwei Jahre in Spanien und Portugal" (3 dln., 1847), „Recherches sur 1'organographie et la classification des Globulariées" (1850), „Die Strand- und Steppengebiete der iberischen Halbinsel und deren Vegetation" (1852), „Wanderungen durch die nordöstlichen und zentralen Provinzen Spaniens" (2 dln., 1862), „Sertum Florae Hispaniae" (1852), „Icones et descriptiones plantarum novarum, criticarum et rarium Europae austro-occidentalis, praecipue Hispaniae" (2 dln., 1852—1864, met 158 platen), „Anleitung zum Studium der wissenschaftlichen Botanik" (2 dln., 1853 —1854), „Die Halbinsel der Pyrenaen", (1864), „Die Wunder des Mikroskops" (1855), „Deutschlands Laubhölzer im "Winter" (1869), „Prodomus florae hispaniae" (3 dln., met Langa 1861—1880, supplement, 1893), „Fiihrer ins Reich der Pflanzen Deutschlands etc." (1863), „Streifziige durch die baltischen Provinzen" (1872), „Die mikroskopischen Feinde des Waldes" (1866—1867), „Forstliche Flora von Deutschland und Oesterreich"(1875), „Atlas der Botanik" (1875), „Der botanische Garten der Universitat Dorpat" (1873), „Spani»n und die Balearen" (1876), „Der Böhmerwald" (1878) en „Illustrationes florae Hispaniae iusularumque Balearium" (2 dln., 1881—1892, met 183 gekleurde platen), „Schulflora von Oesterreich" (1888) en „Grundzüge der Pflanzenverbreitung auf der iberischen Halbinsel" (1896). Ook bewerkte hij de afdeelingen Spanje en Portugal voor het „Handbuch der Geographie" van Stein-Horschelmann.

Willmann, Otla, een Oostenrijksch opvoedkundige, geboren den 248ten April 1839 te Lissa (Posen), studeerde te Breslau en Berlijn in de taalkunde en daarna te Leipzig in de opvoedkunde, werd in 1863 leeraar aan de leerschool te Ziller, in 1872 buitengewoon en in 1877 gewoon hoogleeraar

Sluiten