Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de wijsbegeerte en de opvoedkunde aan de Duitsche hoogeschool te Praag. Van zijn hand verschenen o. a.:.„De figuris grammaticis" (1862), „Die Odyssee im erziehenden Unterricht" (1868), „Pedagogische Vortrage über die Hebung der geistigen Tatigkeit durch den Unterricht" (4de druk, 1905), „Lesebuch aus Homer" (6de druk, 1889), „Lesebuch aus Heodot" (5de druk, 1890), „Didaktik als Bildungslehre" (3de druk, 2 dln., 1903), „Geschicht des Ideaüsmus" (2de druk, 3 dln., 1907 en later), „Philosophische Propadeutik" (2de druk, 2 dln., 1906—1908), „Aus Hörsaal und Schulstube"(1904), „Die wichtigsten philosophischen Fachausdrücke in historischer Anwendung" (1909) en „Aristoteles als Padagog und Didaktiker"(1909). Verder schreef hij een aantal verhandelingen in de „Padagogische Vortrage und Abhandlungen" (1898—1900) en gaf hij HerbarCs „Padagogische Schriften" (2 dln., 1873—1875, met inleiding en aanteekeningen) en Th. Waitz' „Allgemeine Padagogik und kleinere Schriften" (2de—4de dmk, 1875—1895) uit. k Willmet. Johannes, een Nederlandsch geleerde, geboren te Amsterdam den 13den November 1750, studeerde eerst aldaar, toen te Harderwijk en eindelijk te Leiden in de godgeleerdheid en in de Oostersche letteren, werd vervolgens predikant te Nederhemert en te Loenen aan de Vecht en zag zich in 1794 benoemd tot hoogleeraar te Harderwijk, vanwaar hij in 1804 als hoogleeraar in de Oostersche talen naar Amsterdam vertrok. Hij overleed aldaar den 22sten October 1835. Behalve eenige „Orationes", leverde hij een „Lexicon Arabicum in Coranum etc." (1784) en een „Schets van den staat der Oostersche literatuur in Holland in de XVIII eeuw" (1820) in de werken der Derde Klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut.

Wills, William Gorman, een Bngelsch tooneeldichter, geboren den 28sten Januari 1828 te Kilkenny in Ierland, studeerde aan het Trinity college te Dublin en wijdde zich vervolgens aan de schilderkunst als leerling aan de Royal Irish Academy. Daarop vertrok hij naar Londen, was er eerst werkzaam als portretschilder en trad vervolgens op als tooneelschrijver. Hij debuteerde in 1866 met: „The man of Airlie" in het Princess Theatre te Londen, en hierop volgden een groot aantal andere werken, zooals: „Hinko" (1870), „Charles the first" (1872, 200-maal achtereen vertoond), „Eugene Aram" (1873), „Mary, queen of Scotts" (1874), als boek verschenen onder den titel: „Maria Stuart", „Buckingham" (1875), „Jane Shore" (1876, 150 maal vertoond), „England in the davs of Charles II" (1877), „Olivia", bewerkt naar „The Vicar of Wakefield", „Nell Gwyne" (1878), „Vanderdecken" (1878), waarvan de stof ontleend is aan de sage van den „Vliegenden Hollander", „Sedgemoor" (1881), „Claudian" (1885) en „A royal divorce" (1891). Van zijn novellen noemen wij: „The wife's evidence" en „Notice to quit." Hij schreef zeer veel,waardoor er zich onder zijn werk ook veel minderwaardigs bevindt. Hij overleed den 14den December 1893 te Londen.

Wilm&nns, Wilhelm, een Duitsch taalgeleerde, geboren den 14den Maart 1842 te Jüterbog, bezocht een gymnasium te Berlijn, studeerde aldaar en werd in 1874 professor in de Duitsche taal en letterkunde aan de universiteit te Greifswald, vanwaar hij in 1877 als opvolger van Simrock naar

Bonn vertrok. Van zijn geschriften vermelden wij: „Die Entwickelung der Kundnmdichtung untersucht" (1873), „Beitrage zur Erklarung und Geschichte des Nibelungenlieds" (1877), „Zur Geschichte des Eckenlieds" (1871), „Quellenstudien zu Goethe's Götz" (1874), „Die Reorganisation des Kurfürstenkollegium durch Otto IV. und Innocenz III." (1873), „Exempla inscriptionum latinarum" (2 dln., 1873), „Leben und Dichten Walthers von der Vogelweide"(1882), een tekstuitgave van de werken van XValther von der Vogelweide (1886 en 1905), „Walther von der Vogelweide herausgegeben und erklart" (1869) en „Der Untergang der Nibelunge" (1903). Verder schreef hij een „Deutsche Grammatik" (dl. 1 en 2, 1893—1896; 2de druk, 1896—1899; dl. 3, lBtc helft, 1906) en een „Deutsche Schulgrammatik" (llde druk, 2 dln., 1903). Ook heeft hij veel bijgedragen tot het tot stand komen van de tegenwoordige spelling van het Duitsch, waarbij hij in 1880 een commentaar schreef.

Wilming'toii, een stad in den Noord-Amerikaanschen staat Delaware, in het graafschap NewCastle, aan de samenvloeiing van de Brandywine en de Christianarivier, 3 km. boven de plek, waar deze uitmondt in de Delaware en aan eenige spoorwegen gelegen, telt (1900) 76 508 inwoners. Men vindt er een stadhuis, een belastingkantoor, het Wilmington College, een school voor nijverheid, een historisch genootschap, eenige bibliotheken, een schouwburg enz. Er is veel nijverheid, vooral in ijzer, katoen en leer. Men vervaardigt er o. a. spoorwegwaggons, rijtuigen, schepen en buskruit.

Wilmington ligt op de plaats van de Zweedsche kolonie Christinaham, die in 1638 werd gesticht; de thans nog bestaande Zweedsche kerk werd in 1698 gebouwd. In den tijd van de Nederlanders (1655— 1664) heette de plaats Altona, in 1739 kreeg zij haar tegenwoordigen r.aam.

Wilming'ton. een stad in den Noord-Amerikaanschen staat Noord-Carolina, 32 km. boven de uitmonding van de Cape Fear River in den Atlantischen Oceaan gelegen, is een kruispunt van spoorwegen en telt (1900) 20 976 inwoners. De stad heeft stoombootverkeer met Baltimore, Philadelphia en New-York. Men vindt er katoenpersen, zaagmolens, een rijstpelinrichting, teerkokerijen enz. en een levendigen uitvoer van hout, rijst, katoen, terpentijn teer en erwten. In den Burgeroorlog werd deze plaats door de Geconfedereerden versterkt en was toen een belangrijke haven. In 1865 werd zij van het land, zoowel als van de zeezijde door de Foederalisten aangevallen en moest zich den 228ten Februari, nadat fort Fisher ingenomen was, overgeven.

Wilmotte, Maurice, een Belgisch taalgeleerde en schrijver, geboren den llden Juli 1861 te Luik, studeerde aldaar, te Halle, Berlijn en Bonn, vooral echter aan de Ecole des Hautes Etudes te Parijs en werd daarna hoogleeraar te Luik, eerst aan de normaalschool, later aan de hoogeschool. Hij schreef: „Agénor de Gasparin"(1880—1881), „Rapport sur 1'enseignement de la philologie romane en France et en Allemagne" (1886), „Etudes de dialectologie wallonne" (1890) en „Le Wallon, histoire et littérature" (1893). Met Marignan geeft hij het tijdschrift „Le Moyenftge" (1888 en later) uit. Op staatkundig gebied behoort hij tot de vrijzinnige partij. Hij is medeoprichter en staatkundig redacteur van „L'Express."

Sluiten