Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

buurt Oudhuizen, de buurt Westveen, het gehucht De Geer en eenige verstrooide huizen.

Het dorp Wilnis ligt aan de Bijleveld, gedeeltelijk in het eigenlijke Wilnis, gedeeltelijk in Oudhuizen. Het bezit een Hervormde kerk. In een brief van 1085 stond bisschop Koenraad Wilnis onder den naam Veertig Hoeven af aan het kapittel van St. Jan.

Wilpert, Joseph, een Italiaansch oudheidkundige van Oostenrijksche afkomst, geboren den 228ten Augustus 1857 fc' Eiglau in Opper-Silezië, studeerde te Leobschütz en te Innsbrück, werd in 1896 pauselijk huisprelaat en in 1903 één van de acht apostolische prolonotarii di nuinero. Hij schreef: „Prinzipienfragen der cliristlichen Archaologie"(1889), „Nochmals Prinzipienfragen"(1890), „Die Katakombengemalde und ihre alten Kopien"(1891), „Ein Zyklus christologischer Gemalde aus der Katakombe der Heiligen Petrus und Marcellinus"(1892), „Die gottgeweihten Jungfrauen in den ersten Jahrhunderten der Kirche"(1892), „Fractio pan is. Die alteste Darstellung des eucharistischen Opfers in der Cappella greca" (1895), „Die Malereien der Sakramentskapellen in den Katakomben des heiligen Callistus" (1897), „Die Gewandung der Christen in den ersten Jahrhunderten"(1898) en „Un capitolo di storia del vestiario"(2 dln., 1898—1899). Verder gaf hij de plaatwerken: „Die Malereien der Katakomben Roms"(2 dln. met 133 platen, 1903) en „Le pitture della basilica primitiva di San Clemente"(1906) uit.

Wils, Jan, een Hollandsch landschapschilder, werd geboren te Haarlem (?) omstreeks 1610 (?) en overleed aldaar vóór 1680. In 1628 trad hij in het St. Lucasgilde te Haarlem. Waarschijnlijk heeft hij voordien in Frankrijk gereisd. Hij was de leermeester en schoonvader van Nicolaes Berchem. Zijn schilderwijze herinnert vaak aan die van J. Both. Werken van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in de verzameling Steengracht te 's Gravenhage. Teekeningen van hem bezit het museum Teyler te Haarlem.

Wilsen, Frans Carel, een Nederlandsch novellenschrijver, geboren te Weenen den 6den April 1813, trad in Oostenrijkschen krijgsdienst, nam in 1839 als luitenant zijn ontslag, begaf zich naar zijn neef Botgorschek te 's Gravenhage, trad in 1842 als vrijwilliger in dienst en vertrok in 1842 als korporaal naar de Oost, waar hij op Sumatra's Westkust bij terreinopnemingen werkzaam was. In 1846 werd hij aan het topografisch bureau te Batavia geplaatst, vertrok in 1847 naar Semarang en vervolgens in 1849 naar Willem I, waar hij en Schönberg Mulder de opdracht ontvingen de basreliefs van Boro-Boedoer af te teekenen. Tot 1853 bleef hij daar werkzaam. In 1865 werd hij chef van de topografische opneming van Tegal, vertoefde van 1867—1869 voor zijn gezondheid in Nederland, werd' in 1869 eerste teekenaar aan het topografisch bureau en in 1871 chef van het teekenbureau bij de statistieke opneming van Java. In 1876 nam hij zijn ontslag. Hij overleed te Semarang den 22Bten Mei 1889. In 1867 was hij benoemd tot ridder van de Eikekroon. Gedurende eenigen tijd was hij redacteur van het dagblad: „De Indiër". Hij schreef: „Boro-Boedoer," tekst- en plaatwerk (1841 en 1853), „Oudheden in Cheribon,"(1855), „Lain doeloe, lain sakarang of voorheen en thans, schetsen uit Oost-Indië"(2 dln., 1869), „De duivel op Java. Nederlandsch-Indische novelle uit onzen tijd"(1870), „Naar Europa"(2 dln.,

1871), „Njonja Koo en tante Leen. Indisch verhaal uit den tegenwoordigen tijd"(1872), „De Boeddhistische Triemoerti op Java"(1873), „Bijgelovigheden der Soendaneezen", „Fragment uit een beschrijving van de residentie Bagelen," „Uit de Koningin van het Oosten. Verhaal uit Batavia"(2 dln., 1873), „Door vuur en water. Verhaal uit Midden-Java" (1873), „Elk zijn deel. Indisch verhaal"(1874), „Boven op de sterren"(2 dln.) en „Humoristische reis van Willem bij 't Handje"(1876).

Wilsenius, Abraham of Wilsen, een Nederlandsch godgeleerde, geboren te Vlissingen, werd in 1629 beroepen te St. Anna ter Muiden, woonde vervolgens eenigen tijd te Sluis en overleed in 1670. Hij was een groot ijveraar voor de Hervormde Kerk en schreef o. a.: „Cort begryp van de dwalinghen der Roomsche Kercke enz."(1644), „Corte belijdenisse van het alghemeyne Christelycke gheloove enz." (1644), „Catechisatie ofte eenvoudige onderwysinghe in alle de fundamenten der Christelyke religie enz."(1644) en „Theophillektia ofte Gods bevondene liefde tot syne uitvercorenen enz."(1653).

Wilson, Alexander,vm Schotscli dichter en ornitholoog, werd geboren den 6üen Juni 1766 te Paisley in Schotland, leerde het weven, werd vervolgens reizend koopman en trad ook op als dichter. Zijn gedicht: „Watty and Meg"(1792) behoort tot de beste voortbrengselen van de Schotsche kunst. Toen men hem als lid van het Genootschap van Volksvrienden verdacht maakte bij de politie, begaf hij zich omstreeks het jaar 1794 naar Amerika, waar hij later als onderwijzer op verschillende plaatsen in Pennsylvanië werkzaam was. De natuuronderzoeker Bertram en de graveur Lawson wekten bij hem den lust voor de natuurstudie. Nadat hij onderscheiden tochten had volbracht, begon hij in 1806 te werken aan zijn uitmuntende „American ornithology", waarvan het eerste deel in 1808 in het licht verscheen, en dat, toen hij den 23sten Augustus 1813 te Philadelpliia overleed, uit 7 deelen bestond. Het werd uit zijn nagelaten papieren door Ord vervolgd (dl. 8 en 9,1814) en door L/ucian Bonaparte met nog vier deelen (1825—1833) voltooid. Een uitgave in 3 dln. met een levensbeschrijving gaf Jardine (1832). Een verzameling van zijn gedichten en kleinere geschriften werd bezorgd door Grosart (2 dln., 1876). In 1874 werd te Paisley een standbeeld voor liem opgericht.

Wilson, sir Ilobert Thomas, een Britsch generaal, geboren te Londen den 17den Augustus 1777, trad in Maart 1793 in Britschen dienst,werd luitenant bij het 15de regiment dragonders, onderscheidde zich bij herhaling in den veldtocht in Vlaanderen (1794), werd kort daarop tot kapitein benoemd, diende in 1795 in Ierland, vergezelde in 1799 den hertog van Yorlc op zijn tweede ongelukkige expeditie naar Holland, volgde in 1801 als majoor-generaal Abercromby naar Egypte, vertrok in 1805 onder sir David Baird naar Brazilië en nam in 1805 deel aan de verovering van de Kaap de Goede Hoop. In November 1806 vergezelde hij generaal Hutchinson naar Petersburg, trad als vrijwilliger in Russischen dienst en streed in de meeste gevechten in den oorlog tegen Frankrijk. Bij het uitbreken van den oorlog in Spanje (1808) organiseerde hij het Lusitaansche legioen, dat onder zijn kommando belangrijke diensten bewees aan het Engelsche leger. In 1810 werd hij bevorderd tot luitenant-kolonel en nam van

Sluiten