Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te 's Gravenhage, studeerde aan de universiteit te Leiden in de letteren en werd in 1872 candidaat. Hij was van 1872—1874 leeraar aan de hoogere burgerschool te Tiel, van 1874—1877 aan de hoogere burgerschool en het gymnasium te Kampen en van 1877—1881 aan de openbare handelsschool te Amsterdam. In 1881 werd hij benoemd tot directeur van de tooneelschool te Amsterdam. Hij vervaardigde o. a. een prozabewerking van de Middelnederlandsche sproke „Beatrijs", een vertaling van Molières „Précieuses Ridicules", en „Malade Imaginaire" en de „Fourberies de Scapin", van de „Martyres de la Russio" van MicheUt, van de „Souvenirs" van Alexis de Tocqueville en de „Mémoires de Marie Antoinette" van Mad. Campan. Verder schreef hij een aantal kritieken, biografieën enz. in verschillende tijdschriften en dagbladen.

Wilson, Woodrow, een Amerikaansch rechtsgeleerde en schrijver, geboren in 1856 te Staunton in Virginië, studeerde aan de Princeton-, Virginië- en John Hopkins universiteiten, en ontving den doctorstitel bij 3 faculteiten, n.1. de wijsbegeerte,deletteren en de rechten. Hij vestigde zich als advocaat te Atlanta. In 1885 werd hij benoemd tot hoogleeraar in de geschiedenis en de staathuishoudkunde aan het Bryn Mawr College en in 1888 aan de Wesleyaansche universiteit te Middleton; in 1890 ontving hij een benoeming tot hoogleeraar in de rechtsgeleerdheid en de staatswetenschappen aan de universiteit te Princeton, van welke inrichting hij in 1892 directeur werd. Zijn voornaamste werk is: „The State, Elements of historical and practical politics"(1889). Van zijn overige werken noemen wij: „Congressional Government"(1885), „Division and reunion, 1829— 1889"(1893), „An Old Master and other political essays"(1893), „Mere literature, and other essays" (1896), „George Washington"(1896) en „A history of the american people"(1902).

Wilts of WiUshire, een van de zuidelijkste graafschappen van Engeland, is omgeven door de graafschappen Gloucester, Oxford, Berks, Hampshire, Dorset en Somerset en telt op 3561 v. km. (1901) 273 869 inwoners. De lange rijen lage krijtbergen of Downs gaan hier over in een golvend heuvelland waarvan het hoogste punt, de Inkpen-HUl, zich 308 m. boven den zeespiegel verheft. De dalvlakte van Pewsey wordt door het Kennet-and-Avon-Kanaal doorsneden. De voornaamste rivieren zijn: de zuidwaarts stroomende Avon van Salisbury, de Lower Avon (een zijrivier van de Savern) en de bovenloop van de Theems met de Kennet. Landbouw en veeteelt zijn de voornaamste bronnen van bestaan. De bodem levert ijzererts en men heeft er ijzersmelterijen, ijzergieterijen, machinefabrieken, wol- en zijdeweverijen enz. De hoofdstad is Salisbury. Tot de oudheden van dit graafschap behoort het algemeen bekende Stonehenge (zie aldaar).

Wiltshire. Zie Wilts.

Wilzen, Wilten, Weiten, Wilzi of Welataben, ook Lutizen geheeten, was denaam van denmachtigsten en krijgshaftigsten stam der Slaven. Zij woonden sedert de 5de eeuw tusschen de Havel en de Oostzee, de Oder en het Muritzmeer en op de eilanden Rugen, Usedom en Wollin, en waren verdeeld in onderscheiden kleine volken, van welke de HevelIers en Redariërs de voornaamste zijn. Hun voornaamste heiligdommen waren Rethra in het gebied ran de Redariërs en_de tempel van den god Swanle-

wit op Rügen. Karei de Groote ondernam in 798 een tocht tegen de Wilzen en noodzaakte hun vorst Dragowit tot het stellen van gijzelaars en tot het afleggen van een belofte van trouw. Hoewel ook andere vorsten het voorbeeld van Dragowit navolgden, was hun onderwerping niet van langen duur. Eerst aan Hendrik I gelukte het in 928 hen schatplichtig te maken, terwijl zij eerst in het midden van de 12de eeuw door Albrecht den Beer geheel werden onderworpen. Van uit de bisdommen Brandenburg en Havelberg werd het Christendom aan de Wilzen gebracht; in het begin van de 14de eeuw was de Slavische bevolking uit deze streken bijna geheel verdwenen.

Wimbledon, een voorstad van Londen in het Engelsche graafschap Surrey, ligt 10 km. ten Z.W. van het Hyde Park, bezit talrijke villa's en (1901) 41 652 inwoners. Tot 1889 vierden de vrijwilligers op de heide van Wimbledon jaarlijks hun schuttersfeest.

Wimmer, Ludvig Frands Adaïbert, een Noorsch letterkundige, geboren den 7dcn Februari 1839 te Ringkjöbing in Jutland, studeerde onder Westergaard, Petersen, Gislason en Madvig te Kopenhagen, promoveerde in 1868 op een dissertatie: „Navneordenes böjning i aeldre dansk"(1868), die hem deed kennen als een uitmuntend beoefenaar van het oude Deensch, en vestigde zich in 1871 als privaat-docent aan de universiteit te Kopenhagen, waar hij in 1876 tot hoogleeraar in de Noorsche philologie werd benoemd, welke leerstoel met het oog op hem was gesticht. Hij heeft zich inzonderheid verdienstelijk gemaakt door zijn wetenschappelijke onderzoekingen over het runenschrift, die bewezen, dat dit schrift niet van inheemschen oorsprong is, maar dat het zijn ontstaan te danken heeft aan een Zuid-Europeesch alfabet, volgens Wimmer het Latijnsch. Hierover schreef hij „Runeskriftens oprindelse og udvikking i norden"(1874). Zijn hoofdwerk is „De danske runemindesmaerker"(4 dln., 1895). Voorloopers van dit werk zijn zijn verhandeling over het opschrift van het doopvont te Aakirkeby op Bornholm (1887) en „Sonderjullands historiske runemindesmaerker"(1892). Over de methode van zijn onderzoek schreef hij: „Om undersögelsen og tolkningen af vore runemindesmaerker"(1895). Verder schreef hij de uitstekende leerboeken: „Oldnordisk Formlaere"(5de druk, 1897) en „Oldnordisk Laesebog"(6de druk, 1903).

Wimpel is een strook vlaggedoek, die bij een betrekkelijk groote lengte een geringe breedte heeft, terwijl een vlag meer nadert tot den vierkanten vorm. Hij dient op den mast van koopvaardijschepen als windwijzer, signaalteeken en sieraad, en op dien van oorlogsschepen tevens als commandoteeken, wordt ook aan gewone vlaggen toegevoegd. Een wimpel is gewoonlijk 8—10 cm. breed en somtijds 15—20 m. lang en heeft bij verschillende volken zijn eigenaardige kleur. Signaalwimpels zijn meestal half zoo breed en dubbel zoo lang als de signaalvlaggen en zijn naar gelang van hun beteekenis verschillend gekleurd.

Wimpers (cilia) of oogharen zijn korte, stevige haren, op den voorsten zoom der ooglidsranden geplaatst. De haarwortels dringen door tusschen het kraakbeen en de kringspier, en daaraan vindt men smeerkliertjes, welke uit 4—6 korrels bestaan, Meestal zijn de wimpers van weerszijden van het

Sluiten