Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oog gewelfsgewijs naar elkander toegebogen, zoodat ( zij het oog beschutten tegen stof enz. en het licht j temperen. Nemen zij een binnenwaartschen stand : aan, dan veroorzaken zij prikkeling en ontsteking van het hoornvlies, waarbij het gezichtsvermogen enherstelbaar kan verloren gaan. Bii dat gevaar kan een oogheelkundige operatie aan de haartjes een anderen stand geven.

Wimpffen-Berneburg-, Franz Ludwig IIerold, vrijheer von, een Duitsch krijgsman, geboren te Twcebruggen in 1732, trad in Franschen dienst, nam deel aan den Zevenjarigen Oorlog en vervulde in 1760 als generaal aan het Hof van hertog Iiarl von Württemberg een belangrijke rol. In 1770 trad hij als kolonel en kommandant van een Duitsch regiment weder in Fransche soldij, was in 1789 luitenant-generaal en kommandant van Neubreisach, werd gedurende de Revolutie als aristocraat gevangen genomen en overleed te Nancy den 243ten December 1800. Hij heeft „Mémoires" achtergelaten (1788).

Wimpffen-Berneburg, Felix, vrijheer von, een broeder van den voorgaande, geboren te Tweebruggen den 5den November 1744, werd reeds vroeg vaandrig in Franschen dienst, voerde later bevel ever een vrijkorps in Corsica, vervolgens over het regiment Bouillon, waarmede hij zich onderscheidde bij de belegering van Gibraltar, werd in 1789 in Normandië tot afgevaardigde van den adel gekozen en behoorde tot de eersten, die zich aansloten bij den Derden stand. In 1792 voegde hij zich als generaal weder bij het leger en verdedigde in September Thionville. Daarop voerde hij bevel over het kustleger bij Cherbourg. Na den val der Girondijnen (31 Mei 1793) verklaarde hij zich tegen de Nationale Conventie, bracht eca korps partijgangers naar Normandië en vluchtte vervolgens naar Engeland. In 1799 keerde hij terug en verkreeg van den Eersten Consul een aanstelling tot divisie-generaal, werd later inspecteur-generaal der paardenstoeterijen en everleed in 1814.

Wimpffen, Emanuël Félix, vrijheer von, een Fransch generaal, een kleinzoon van den voorgaande, geboren te Laon den ]3drn September 1811, bezocht de militaire school te St. Cyr, nam dienst bij een regiment infanterie, organiseerde in Algerië de Turco's, kommandeerde huil regiment in den Krimoorlog, werd in 1855 brigade-generaal, onderscheidde zich in 1859 in Italië, zag zich tot divisie-generaal bevorderd en vertrok daarop weder naar Algerië, waar hij eerst de provincie Algiers en daarna Oran bestuurde en in Maart 1870 een gevaarlijken opstand wist te dempen. In laatstgenoemd jaar werd hij in plaats van Failly belast met het kommando over het óde korps, verscheen den 31Bten Augustus bij de armee te Sédan, aanvaardde den volgenden dag, nadat Mae Mahon gewond was, het opperbevel en onderteekende den 2den September de capitulatie. Hij begaf zich vervolgens naar Algiers en overleed te Parijs den 268ten Februari 1884. Hij schreef: ,,Sédan"(1871), „Réponse au général Ducrot par un officier supérieur"(1871), „La France, sa situation et les réformes nécessaires"(1873) en „La Nation armée"(1876). Uit zijn nalatenschap verscheen nog: „La bataille de Sédan, les véritables coupables" (1887) en „Notes et correspondance de campagne: Crimée-Italie"(uitgegeven door Galli, 1892).

Wimpffen, Max, vrijheer von, een Oostenrijksch

generaal, een bloedverwant van de voorgaanden, geboren te Münster den 19den Februari 1770. nam in 1786 dienst bij een Oostenrijksch regiment infanterie, oorloogde in 1787 als vaandrig tegen de Turken, vervolgens als eerste luitenant tegen de Franschen en werd in 1801 bevorderd tot luitenantkol inel. In 1805 werd hij als kolonel bij den Hofkrijgsraad geplaatst, bestuurde vervolgens den aanleg der versterkingen bij Olmütz en kwam daarop bij den generalen staf van het Russisch hoofdkwartier onder Koetoesow. Als generaal-adjudant van aartshertog Karei te Weenen geplaatst, streed hij vervolgens bijRegensburg, werd totgeneraal-majoor benoemd en tevens tot chef van den generalen staf van het groote leger en onderscheidde zich bij Asperen, Wagram en Znaim. Als luitenant-veldmaarschalk en bevelhebber van een divisie behaalde hij grooten roem in den Volkeren slag bij Leipzig en in onderscheiden gevechten in Frankrijk, was van 1816—1819 militair kommandant te Troppau en verkreeg in 1820het algemeen kommando te Venetië. In 1824 werd hij chef van den algemeenen kwartiermeesterstaf te Weenen en in 1830 veldtuigmeester en generaal en chef in Oostenrijk. In 1844 werd hij als veldmaarschalk gepensionneerd. Hij overleed te Weenen den 298ten Augustus 1854.

Wimpffen, Franz Karl Eduard von, een zoon van Franz Ludtvig Herold von Wimpffen-Berneburg, geboren den 2den Januari 1776 te Stuttgart, werd generaal in Württembergschen dienst. Keizer Frans 11 verleende hem in 1797 den grafelijken titel. Hij overleed den 88ten December 1842 te Graz.

Wimpffen, Franz graaf von, een zoon van den voorgaande, geboren den 2den April 1797, nam in October 1813 dienst bij het keizerlijk leger, woonde in 1813 en 1814 in de hoofdarmee der Geallieerden verschillende gevechten bij en bevond zich in 1815 bij de troepen van Frimont in Italië. In 1838 begaf hij zich als generaal-majoor en brigadier naar Triest, kwam in 1846 als luitenant-veldmaarschalk aan het hoofd van een divisie van het tweede armeekorps in Italië en onderscheidde zich in den veldtocht van 1848 vooral bij Vicenza en Custozza. Als bevelhebber der troepen, bestemd voor de interventie in den Kerkelijken Staat, noodzaakte hij Bologna en Ancona door een bombardement tot capitulatie en aanvaardde daarop de leiding van het bewind in de Legatiën. In October 1849 werd hij civiel en militair gouverneur van Triëst en stadhouder van het Kustland, vervolgens veldtuigmeester en voorloopig opperbevelhebber van de vloot, belastte zich in 1854 eenigen tijd met het kommando over het eerste armeekorps, werd in 1861 als veldtuigmeester gepensionneerd en overleed te Görz den 26sten November 1870.

Wimpheling' of Wympfeling, Jakob, een Duitsch humanist, geboren den 26",cn Juli 1450 te Schlettstadt, studeerde aan de universiteiten te Freiburg, Erfurt en Heidelberg eerst in de rechten en daarna in de godgeleerdheid, vertoefde van 1484 —1498 aan het Hof van den bisschop van Spiers en ; was vervolgens tot 1500 hoogleeraar in de welspre■ kendheid en dichtkunst aan de universiteit te Heidelberg. Daarna woonde hij als schrijver te Straatsburg en vertrok in 1503 naar het hof van bisschop Christoph von Utenheim, voor wien hij de synodale statuten opnieuw bewerkte. Vervolgens woonde hij i achtereenvolgens te Straatsburg, Freiburg en Hei-

Sluiten