Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn: „Sendschreiben über die Gedanken von der Nachahmung der griechischen Werke in der Malerei und Bildliauerkunst" (1755), om ze vervolgens in de „Erlauterung der Gedanken von der Nachahmung u. s. w." (1755) te weerleggen. In het najaar van 1755 vertrok hij met een jaargeld van den koning naar Rome. waar hij in de kardinalen Passionei en Albaid, alsmede in Archinto, die inmiddels tot kardinaal en staatssecretaris was benoemd, welwillende begunstigers vond, maar vooral met Mengs een vriendschappelijke betrekking aanknoopte. In het voorjaar van 1758 bezocht hij Napels, Portici, Herculanum en Pompeji, en in September van dat jaar, op uitnoodiging van baron Stosch, ook Florence, waar hij negen maanden vertoefde om diens verzameling van gemmen te rangschikken. De catalogus daarvau is getiteld: „Description des pierres gravées du feu baron de Stosch" (1760). Omstreeks dien tijd ontving Winckelmann zijn benoeming tot bibliothecaris en inspecteur van de verzameling van oudheden bij den kardinaal Albani. In den zomer van 1760 voltooide hij zijn: „Anmerkungen über die Baukunst der Alten" (1762) en in 1762 bezocht hij met graaf Brühl nogmaals Napels en de omstreken dier stad.Het plan van de uitgave van een klein geschrift tot opheldering van eenige duistere plaatsen in de fabel- en oudheidkunde gaf aanleiding tot het ontstaan van een groot werk, dat onder den titel: „Monumenti antichi inediti" (2 dln., 1762; 2de druk, 1821) met 268 koperen platen en vele vignetten in den tekst in het licht verscheen. In 1763 werd hij tot hoofdinspecteur van alle oudheden in en rondom Rome benoemd. In dezen tijd schreef hij e. a.: „Von den herculanischen Entdeckungen" (1762), „Versuch einer Allegorie, besonders für die Kunst" (1766) en „Abhandlung von der Fahigkeit der Empfindungen des Schonen in der Kunst und dem Unterricht in derselben" (1771). Zijn belangrijkst werk echter is: „Geschichte der Kunst des Altertums" (1764; nieuwste druk, 1881), later aangevuld door zija: „Anmerkungen über die Geschichte der Kunst" (1767). In 1764 had Winckelmann met Volkmann en Heinricli Füszli een derde reis naar Napels ondernomen, waaromtrent hij mededeelingen gaf in zijn: „Nachrichten von den neusten herculanischen Entdeckungen" (1764). Het grootste gedeelte van het jaar 1766 wijdde hij aan de bewerking van het „Discorso preliminare" en van de „Monumenti inediti". In 1767 volbracht hij een vierde reis naar Napels en Herculanum en in het daarop volgende jaar begaf hij zich in gezelschap van den beeldhouwer Cavaceppi over Venetië, Verona en door Tirol naar München en Weenen. Op zijn terugreis werd hij te Triëst in een herberg den 8aten Juni 1768 door Franeesco Archangeli vermoord. Stervend benoemde hij kardinaal Albani tot zijn erfgenaam. Door zijn „Kunstgeschichte" en de „Monumenti" werd hij de grondlegger van de wetenschap der kunst. Hij was wetenschappelijk gevormd, bezat een onafhankelijk, helder oordeel en was geheel doordrongen van den geest der Oudheid. Tevens wist hij zijn gedachten op een eenvoudige, heldere wijze weer te geven. Een uitgave van zijn gezamenlijke werken werd begonnen door Fernow en voltooid door Meijer en Schube (8 dln., 1808— 1820), vollediger is de uitgave van Eiselein (12 dln., 1825—1829). Verder gaf Förster vit: „Winckelmanns Briefe 1747—1766" (3 dln., 1824—1825),

Blümner „Winckelmanns Briefe an seine Züricher Freunde" (1882). Zijn geboortedag wordt door het archaeologisch instituut te Rome, door het Duitsch archaeologisch instituut te Athene en door verschillende Duitsche universiteiten en vereenigingen jaarlijks plechtig herdacht. Koning Lodewijk I van Beieren liet in Villa Albani een standbeeld voor hem oprichten, verder vindt men gedenktekenen te Stendal, in de voorhal van het museum te Berlijn en in het stedelijk museum te Triëst.

Winckler, Hugo, een Duitsch oriëntalist, geboren den 4den Juli 1863 te Grafenhainichen, studeerde te Berlijn in de Oostersche, vooral in de Semiotische talen, deed studiereizen naar Parijs, Londen en den Levant en vestigde zich in 1891 als privaatdocent in de oud-Oostersche taalkunde en geschiedenis te Berlijn, waar hij in 1906 buitengewoon hoogleeraar werd. Van 1903—1904 was hij, samen met Makridy Bey, belast met de leiding van opgrar vingen bij Saida (Sidon) en van 1906—1907 met die bij Boghazkoi in Klein-Azië. Hij schreef o. a.: „Untersuchungen zur altorientalischen Geschichte" (1889), „Geschichte Babyloniens und Assyriens" (1892), „Geschichte Israels" (2 dln., 1895—1900), „Altorientalische Forschungen" (1893 en later; tot nu toe 3 dln.), „Die Tontafeln von Tell-el-Amarna" (1896), „Das alte Westasien"(in dl. 3 van Helmolts' „Weltgeschichte", 1899), „Keilschrifttexte Sargons" (1898), „Der Tontafelfund von Tell-el-Amarna" (2 dln., 1898—1901), „Die Gesetze Hammurabis" (1904) en „Auszug aus der Vorderasiatischen Geschichte" (1905). Met Zimmern bezorgde hij een nieuwen druk van Schrader's „Keilinschriften und das Alte Testament" (1902). Hij is redacteur van „Das alte Oriënt" (1899 en later) en van „Ex oriente lux."

Wind is de naam van een horizontalen luchtstroom. Hij ontstaat, als het evenwicht in den dampkring verbroken wordt en streeft er naar dit evenwicht te herstellen. Daarbij beweegt zich de lucht volgens twee wetten, die naar hun ontdekkers genoemd zijn en de basis der moderne windtheorie vormen. Vooreerst de wet van Buys Ballot, welke leert, dat de lucht van een streek met hoogeren druk steeds stroomt naar een streek met lageren druk en daarbij, wegens de aswenteling der aarde, op het noordelijk halfrond naar rechts, op het zuidelijk halfrond naar links afwijkt. In de tweede plaats de wet van Stevenson, volgens welke de kracht van den wind afhangt van den barometrischen gradiënt (zie aldaar). Beide wetten werden gevonden door studie der zoogenaamde synoptische weerkaarten, waarop de toestand van den dampkring boven een deel der aardoppervlakte op een bepaald uur (doorgaans 7 uur 's morgens) wordt weergegeven. Vergelijkt men op zulke kaarten den loop der isobaren (zie aldaar) met de richting en de kracht van de waargenomen winden, dan ziet men beide wetten bevestigd. Buys Ballot paste tevens de door hem ontdekte wet praktisch toe op het vooruitbepalen der windrichting. Uit zijn wet volgt n. L, dat de wind steeds hetminimumaandelinkerzijdeheeft, zoodat iemand, die den wind den rug toekeert het minimum steeds links heeft. Plaatst hij zich dus met het gelaat van de plaats met den hoogsten naar die met den laagsten luchtdruk, dan komt de wind steeds van de linkerzijde. De afwijking is wegens de wrijving op het vasteland kleiner dan boven

Sluiten