Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

defoeeanen; door dezelfde oorzaak is de snelheid en dus de kracht van den wind op zee grooter dan aan de kust en hier grooter dan in het binnenland. Eveneens neemt de snelheid met de hoogte spoedig toe, is bijv. op den 300 m. hoogen Eiffeltoren 3 & 4 maal zoo groot als aan den voet.

De oorzaak der verstoring van den evenwichtstoesta d in den dampkring, dus van den wind, is het verschil in temperatuur op verschillende plaatsen op aarde. Als van

twee plaatsen op ®

de aardoppervlakte, A en B, de eerste sterker verwarmd wordt dan de laatste, zal de lucht boven de eerste ook sterker uitzetten, ijler worden en dus krachtiI ger opstijgen. Daardoor zullen de vlakken van gelijken luchtdruk niet langer horizontaal liggen, maar van A naar B hellen. Boven A is een luchtheuvel

(Duitsch: Luftauflockerung) ontstaan en dientengevolge moet de lucht in de hoogte van A naar B stroomen, waardoor dus aan de aardoppervlakte bij B de luchtdruk zal toenemen (de barometer stijgen), bij A afnemen (de barometer dalen). Het gebied van hoogen luchtdruk bij B] noemt

FIG. 2.

dan zou de lucht zich rechtstreeks van B naar A bewegen; wegens de aswenteling der aarde kan zulks niet gebeuren, maar moet de lucht op haar weg afwijken, zooals dit reeds beschreven werd in het artikel passaatwinden (zie aldaar). Het gevolg dezer afwijking is, dat elk luchtdeeltje, dat A nadert, een kring (cyclus) om het minimum beschrijft, of juister een spiraal, daar het steeds dichter bij het minimum komt. Tegelijkertijd stijgt het op en be-

Fig. 1. A

Anti-cyclone en Cyclone op het noordelijk halfrond.

Anti-cyclone en'Cyclone op het'zuidelijke halfrond.

men een barometrisch maximum, dat van lagen druk bij A een barometrisch minimum,, en nu zal om het evenwicht te herstellen de lucht aan de aardoppervlakte van B naar A moeten stroomen. Feitelijk ontstaat er dus een gesloten kringloop, daar de lucht bij A opstijgt, in de hoogte van A naar B stroomt, bij B daalt en aan de aaide zich van B naar A beweegt. Deze laatste luchtstroom nemen wij waar als wind. Stond nu de aarde stil,

XVI

schrijft derhalve feitelijk een schroeflijn. De geheele, om het minimum draaiende en dit naderende luchtmassa noemt men een cyclone en de kringvormige of elliptische streek, waarboven deze zich bevindt, een cyclonaal gebied. De lucht beweegt zich daarbij op het noordelijk halfrond tegen, op het

zuidelijk met de wijzers van een uur¬

werk. De lucht, die bij B wegstroomt, heeft een soortgelijke beweging, echter

in tegengestelde richting (zie fig. 1 en 2),en daarom spreekt men hier van een anti-cyclone en een anticyclonaal gebied. Hier stroomt de lucht, welke naar verschillende zijden wegvloeit, van boven aanhoudendtoe,

en deze verticale stroom wordt door horizontaal toevloeiende luchtstroomen in de bovenlucht

weer gevoed. Daardoor is de richting der wolken in de bovenlucht naar het maximum en tevens zijn de anti-cyclonen door deze oorzaak zoo bestendig, terwijl ze betrekkelijk weinig aan plaatsverandering onderhevig zijn, twee eigenschappen, waardoor ze zich van de cyclonen onderscheiden. Het weer is in een anticyclonaal gebied meestal kalm, de lucht helder; in den zomer heet, in den winter koud, echter slechts in de benedenste lucht-

12

Sluiten