Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lagen. De wind is zwak en zeer veranderlijk van richting, terwijl windstilten gedurig voorkomen. Een geheel ander beeld vertoont een cyclonaal gebied, ook wel depressie geheeten. Als men het voor de beide halfronden door een deellijn (xy en x'v' in fig. 1 en 2) verdeelt in een pool(linker)zijde, waar

de lucht van hoogere naar lagere, en een aequatotoriale (rechter)zijde, waar de lucht van lagere naar hoogere breedte stroomt, kan men, volgens Mohn, voor een cyclone de volgende eigenschappen vaststellen:

Poolzijde. Aequatoriale zijde.

Windrichting N. halfr.: O, NO, N, NW, W N. halfr.: W, ZW, Z, ZO O

Z. halfr.: W, ZW, Z, ZO, O Z. halfr.: O, NO, N, NW, W

Barometer stijgt daalt

Temperatuur, vochtigheid en

bewolking neemt af neemt toe

Neerslag neemt af doorgaans aanzienlijk

Gedurende haar bestaan blijft een cyclone niet op dezelfde plaats. Zij gaat steeds voorwaarts, nu eens sneller, dan langzamer, in de richting der algemeene luchtbeweging, d. w. z. in de heete luchtstreek doorgaans naar het W., op hoogere breedte meestal naar het O. Vaak buigen zij in de heete zone aan de grens om en keeren naar het O. terug. Heeft de depressie een groote uitgestrektheid, dan kunnen zich ook secundaire minima vormen, die hun eigen weg kiezen. Het eigenlijk vaderland der cyclonen zijn de noordelijke streken van de gematigde luchtstreek. Dicht bij den evenaar ontbreken ze geheel, omdat de aswenteling der aarde er te weinig verschilt en storingen in het evenwicht der lucht er zich spoedig herstellen. Aan de grens der heete zone treden de cyclonen daarentegen somtijds als geweldige stormen op (huricans in W. Indië, taifoens in de Z. Chineesche Zee), echter slechts gedurende enkele maanden van het jaar. Nauwkeurig bestudeerd zijn vooral de cyclonen tusschen het Rotsgebergte in het W. van N. Amerika en de Oeral op de O. grens van Europa. In N. Amerika gaan de meeste op geveer 46° breedte door de streek der Canadeesche meren over Labrador of langs de kust naar Groenland; vele andere komen uit het Z. W. der Unie boven den Atlantischen Oceaan. Van al deze bereiken meer dan de helft in4è,5 dagen Europa, en daar hun banen bekend zijn en de weersgesteldheid geheel beheerscht wordt in ons klimaat door de afwisseling van cyclonen en anticyclonen, berust op de studie daarvan in hoofdzaak het stelsel der weervoorspelling.

Men kan de aarde op grond van de heerschende winden in bepaalde gordels verdeelen. Vooreerst de aequatoriale gordel met opstijgende lucht, gekenmerkt door windstilten, hoewel er ook stormen kunnen heerschen. Ter weerszijden daarvan tot ongeveer 30° breedte strekt zich het gebied der Passaten uit, die echter alleen op zee regelmatig ontwikkeld zijn en in sommige streken vervangen worden door de moesons, die op hun beurt aan sommige kusten en eilanden, vooral in bepaalde tijden vervangen worden door land- en zeewinden. Op den passaatgordel volgt de subtropische zone, waarin de van den evenaar in de hoogte poolwaarts stroomende lucht (antipassaat) gedeeltelijk weer de aardoppervlakte bereikt en vijf maxima van luchtdruk doet ontstaan. Deze subtropische maxima liggen ten W. van: Californië, Midden-Chiü, Marokko, het Kaapland en W. Australië. Op de subtro¬

pische zone volgt de streek van het gematigd klimaat, waar onregelmatige winden heerschen, daar deze geheel afhangen van het optreden en de verplaatsing van cyclonen. Toch valt hier nog zekere regelmatigheid waar te nemen, omdat de maxima en minima van luchtdruk regelmatig in bepaalde tijden boven bepaalde plaatsen temgkeeren. Zoo leeren ons de isobarenkaarten, dat, wat Europa betreft, in den zomer zich een maximum bovenden Atlantischen Oceaan op ongeveer 35° N. Br. uitstrekt, waardoor Z. W. Europa tot de Oostzee overwegend W. of Z. W. winden heeft. In N. W. Europa hebben in den zomer eveneens Z. W. wirden de overhand, als gevolg van het minimum, dat alsdan ten O. van IJsland ligt. Boven de Middellandsche Zee ligt een maximum, waardoor aan de Z. kust van Europa N. winden heerschen. In den winter ligt op den N. Atlantischen Oceaan het maximum iets Zuidelijker, nl. op ^ 30°, maar heeft zich ten N. ervan een krachtig, lang uitgestrekt minimum gevormd, waardoor thans in N. W. Europa eveneens overheerschend Z. W. winden waaien.

Plaatselijke invloeden kunnen locale winden doen ontstaan, zooals bijv. den berg- en dalwind. Deze komen in alle bergstreken voor, het sterkst in Tibet en Kasjgar; echter alleen bij mooi, rustig zomerweer. De bergwind waait des nachts van de berghellingen omlaag, de dalwind over dag van het dal langs de hellingen omhoog. In de ochtenduren worden n.1. de berghellingen eerder beschenen en daardoor sterker verwarmd dan de bodem van het dal, waardoor de lucht aan de hellingen zich sterker uitzet. Bovendien wordt de lucht hier meer verwarmd dan op gelijke hoogte in de vrije atmosfeer en de lucht aan de hellingen stijgt dientengevolge op, zoodat zijwaarts toestroomende lucht het evenwicht moet komen herstellen. De lucht gaat dus over dag langs de berghelling omhoog en uit het dal moet de lucht opstijgen om het tekort aan te vullen. Omgekeerd koelt de lucht des nachts aan de hellingen sterker af dan in het dal en de zwaardere lucht zakt als bergwind langs de helling omlaag.

Andere locale winden zijn de reeds genoemde land- en zeewinden, de valwinden, die weer onderscheiden worden in koude (Mistral, Bora enz.) en warme (Föhn, Sirocco enz.) en de woestijnwinden (Chamsin, Samoem, Harmattan enz.), waarvoor wij naar de afzonderlijke artikelen verwijzen.

Wanneer het verschil in luchtdruk voor twee plaatsen, die niet ver van elkander verwijderd lig-

Sluiten