Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd uitgevonden, doch ook Hans Lobsinger, die in 1666 te Neurenberg woonde, wordt als uitvinder genoemd. In den laatsten tijd heeft men de windbuks verbeterd door tusschen den loop en de kolf een luchtkamer te plaatsen, waarin zich een zuiger met een sterke spiraal bevindt, waardoor van schot tot schot de lucht op dezelfde maat van samenpersing gehouden wordt, zoodat het gebrek van de ongelijkmatigheid der schoten vervalt, f Winde (Convolvulus L.) is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Convolvulaceeën. Het onderscheidt zich door een 6 deeligen kelk, een kloktrechtervormige bloemkroon, een bolvormig vruchtbeginsel en een éen- of tweehokkige doosvrucht met éen of twee zaden in elk hokje. De stijl draagt twee stempels. In ons land hebben wij: de gewone of akkerwinde (C. arvensis L.) met een behaarden en onbehaarden, kantigen, zich windenden

Winde.

stengel, die zich om andere planten slingert, met gesteelde, spiesvormige bladeren, okselstandige bloemen, twee kleine schutbladen op aanmerkelijken afstand van den kelk, en vooral op bouwlanden te vinden, — de haagmnde (C sepium L.) met pijlvormige bladeren en witte bloemen en vooral in hagen en kreupelhout groeiend, — en de duinwinde (C. Soldanella L.) met niervormige bladeren, een kruipenden stengel en rozenroode bloemen.

Windelband, Wilhelm, een Duitsch wijsgeer, geboren te Potsdam den llden Mei 1848, studeerde te Jena, Berlijn en Göttingen, aanvankelijk in de geschiedenis, later in de wijsbegeerte en in de natuurwetenschappen, promoveerde aan laatstgenoemde universiteit op een dissertatie: „Die Lehren vom Zufall" (1870) en vestigde zich in 1873 te Leipzig als privaatdocent met een verhandeling „Über die Gewiszheit der Erkenntnis." In 1876 werd hij gewoon hoogleeraar aan de universiteit te Zurich, in 1877 te Freiburg in de Breisgau, in 1882 te Straatsburg en in 1903 te Heidelberg. Als leerling _van Kuno Fischer en Lotze is hij op historisch

en theoretisch gebied werkzaam in den geest van het Duitsche idealisme en inzonderheid voor een reconstructie van de leer van Kant. Behalve kleine geschriften, leverde hij: „Die Geschichte der neuern Philosophie in ihrem Zusammenhange mitderallgemeinen Kultur von den besondern Wissenschaften" (2 dln., 1878—1880), „Praludien, Reden und Aufsatze zur Einleitung in die Philosophie" (1884), „Geschichte der alten Philosophie" (in het „Handbuch der klassischen Altertumswissenschaft"), „Geschichte der Philosophie" (1892, 4de druk als „Lehrbuch", 1907), „Geschichte und Naturwissenschaft" (1894), „Platon" (in „Klassiker der Philosophie" van Fromman, 1900) en „Über Willensfreiheit" (1904). Met anderen gaf hij den feestbundel voor Kuno Fischer „Die Philosophie im Beginn des 20 Jahrhunderts" (1907) uit.

Windende planten noemt men de planten, waarvan de stengels zich schroefvormig om nabijstaande stengels slingeren. Zij worden onderscheiden in rechtsgewondene, die zich in de richting van de wijzers van een uurwerk om het steunsel slingeren, en in linksgewondene, zooals de Convolvulaceeën, de boonenenz. Tot de rechtsgewondene behoort o. a. de hop.

Windermere of Winandermere is de naam van het grootste en schoonste meer van Engeland. Zijn westelijke en een gedeelte van den oostelijken oever behooren tot het graafschap Lancaster en het overig gedeelte van den oostelijken oever tot het graafschap Westmoreland. Het is 171/, km. lang, 1,5 km. breed en 73 m. diep en ligt 47 m. boven de oppervlakte der zee. Door de Leven als afvoerrivier staat het in verbinding met de MorecombebaaL Aan zijn noordelijk uiteinde verheffen zich de bergen tot een aanzienlijke hoogte. Het meer bevat veel visch, vooral forellen. Aan zijn oevers liggen onderscheiden villa's, terwijl stoombooten het verkeer tusschen de belangrijkste oeverplaatsen, zooals Ambleside, Bowness en Newby-Bridge, onderhouden. Het stadje Windermere ligt op de plaats, waar de Leven het meer verlaat, en telt 2379 inwoners.

Windesheim, een klooster van de reguliere kanunniken van den heiligen Augustinus (zie Augustijnen) bij Zwolle gelegen, werd in 1386 gesticht door de broeders van het gemeene leven onder leiding van Floris Radewijnszoon. Het kwam weldra door groote schenkingen in het bezit van uitgestrekte goederen en werd in 1387 door den bisschop van Utrecht gewijd. Vanuit Windesheim werden dergelijke kloosters opgericht te Arnhem, Hoorn en Eemstein bij Dordrecht, die zich tezamen met de moedervereeniging verbonden tot een kloostervereeniging, kapittel of congregatie, welke in 139B door paus Boni/anus IX werd goedgekeurd. De oprichting en toetreding van een groot aantal andere kloosters op verschillende plaatsen van Nederland volgde; ook over het buitenland, waar vele kloosters tot de congregatie toetraden en den kloosterregel van de reguliere kanunniken aannamen, strekte het kapittel zich uit, terwijl verder een aantal reeds bestaande of nieuw opgerichte nonnenkloosters werden opgenomen. Omstreeks 1459 omvatte de congregatie 86 mannen- en 16vrouwenkloosters.Veel belangrijks uit dezen tijd is ons overgeleverd in de werken van den Windesheimer monn ik Joh/in Busch (overl.±1480),getiteld„ChroniconWindeshemense" en „Liber de reformatione."LOp de Middeleeuwsche

Sluiten