Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vuttuha" (1870). Ook redigeert hij sedert 1880 het: „Zeitschrift der deutschen morgenlandischen Gesellschaft".

Windischgratz is de naam van een oudadellijk geslacht uit Stiermarken, dat afstamt van markgraaf Ulrich van Karinthië en volgens de overlevering Veriand of Weriand, heer van Gratz in de Windische Mark, tot stamvader heeft. Het verdeelde zich door de broeders Ruprecht en Siegmund in twee naar hen genoemde lijnen. Een tak van de lijn van Siegmund werd in 1557 door keizer Ferdinand I tot de grafelijke waardigheid verheven, verwierf in 1665 het oppererflandstalmeestersambt en den rang van Hongaarsch magnaat, verkreeg in 1682 de rijksheerlijkheden Eglofs en Siegen in Zwaben (sedert 1806 onder Württembergsche souvereiniteit), werd den 248ten Mei 1804 door keizer Frans II onder den naam Windischgratz in den rijksvorstenstand met recht van eerstgeboorte opgenomen, en verwierf zitting en stem in het college der Zwabensche graven. In 1822 werd door keizer Frans de vorstelijke titel toegekend aan alle leden van dit geslacht, dat uitgestrekte heerlijkheden bezit in Bohemen, Neder-Oostenrijk en Stiermarken. Het behoort tot de R. Katholieke Kerk. Van zijn leden noemen wij:

Windischgratz, Aljred Candidus Ferdinand zu, een Oostenrijksch veldheer, geboren te Brussel den llden Mei 1787, nam in 1804 als eerste luitenant dienst in het uhlanenregiment Schwarzenberg, streed als luitenant-kolonel bij Leipzig en werd in 1813 tot kolonel en kommandant van het kurassiersregiment grootvorst Constantijn benoemd, dat hij in 1814 met veel beleid kommandeerde, inzonderheid bij Troyes en bij La Fère Champenoise. Hij werd in 1826 generaal-majoor en brigadier te Praag, in 1830 ridder van het Gulden Vlies en in 1833 luitenantveldmaarschalk en bevelhebber van een divisie. Toen hij zich tijdens de Maartbeweging van 1848 toevallig te Weenen bevond, belastte hij zich met het opperbevel aldaar en nam de strengste maatregelen om nieuwe ongeregeldheden te voorkomen. Weldra echter kwam de openbare meening zoo krachtig tegen hem in verzet, dat hij door den keizer naar Bohemen werd gezonden. Na den opstand te Praag van den llden Juni betoonde hij jegens de opstandelingen veel toegevendheid en bewaarde deze houding zelfs, toen zijn gemalin, een vorstin Schivarzenberg, in haar kamer doodgeschoten en zijn oudste zoon doodelijk gewond was. Zoodra het bericht van de Octoberom wen teling te Weenen Praag bereikte, nikte Windischgratz met alle beschikbare strijdkrachten aanstonds op naar de hoofdstad, ontving van den keizer het opperbevel over alle legerkorpsen met uitzondering van de Italiaansche, trok den 31sten October binnen Weenen en bedwong den opstand. Vooral door toedoen van hem en van zijn zwager vorst Schwarzenberg besteeg Franz Joseph den keizerlijken troon. Deze bevestigde hem in zijn waardigheden, waarna hij in het midden van December met een armee van 150 000 man naar Hongarije trok, Preszburg, Raab en den 5den Januari 1849 Buda-Pest bezette en zich daarna, de macht van den vijand te gering schattend, drie maanden bezig hield met regeeringsmaatregelen en veroordeelingen, zoodat de Hongaren tijd hadden om zich te hereenigen en te versterken. De Oostenrijksche generaals werden in April de een na den ander overrompeld en verslagen, terwijl zij de be¬

langrijkste vestingen verloren, zoodat Windischgratz den 12den April van het algemeen kommando afgezet en door Welden vervangen werd. Windischgratz begaf zich nu naar zijn goederen in Bohemen. In 1859 werd hij met een zending naar Berlijn belast. Hij werd in 1859 door den keizer tot gouverneur van Mainz en in 1861 tot erfelijk lid van liet Heerenhuis benoemd. Hij overleed den 218tel1 Maart 1862. Op zijn last werd geschreven: „Der Winterfcldzug 1848—1849 in Ungarn" (1851).

Windkamer of Windreservoir noemt men een inrichting, waar lucht wordt opgevangen, die vervolgens naar een plaats wordt geleid, waar men ze wil gebruiken.

Windketel. Zie Brandspuit.

Windknoop is de naam van een eind touw, waarin 3 knoopen zijn gelegd, die volgens het bijgeloof van vroegeren tijd invloed op den wind konden hebben. Zoo veroorzaakte bijv. het losmaken van den eersten knoop volgens dit bijgeloof een gunstigen wind, dat van den tweeden knoop een storm, terwijl er een orkaan zou ontstaan, wanneer men ook den derden knoop losmaakte.

Windlade noemt men bij een orgel de langwerpig vierkante lade, waarin de pijpen staan. Zie Orgel.

Windmeter. Zie Wind.

Windmolen, één der beide vormen, waarin de windmotoren (zie aldaar) voorkomen, draagt aan een horizontaal of zwak hellend liggende as 4—6 wieken. De Hollandsche of tormmndmolen treedt zelf weder in twee verschillende typen op. Bij het eerste is alleen het bovenste gedeelte, de kap, dat de as en het drijfpad bevat, draaibaar. Een achtkantig, pyramidaal, houten geraamte rust op een onderbouw van steen en is van boven afgedekt door den ringbalk, waarover de kap met rollen kan draaien. Deze bestaat uit een aantal balken, waarvan er twee de as dragen. Zij is verder verbonden met den zoogenaamden staart, die van onderen een handrad met touwen of kettingen draagt, waarmede de kap kan worden verzet. De as draagt een drijfrad, dat zijn beweging door een zoogenaamd lantaarnrad op een verticale spil overbrengt, welke tot onder in den molen doorloopt. Bij het tweede type, dat gewoonlijk kleiner van afmetingen is, bevat het bovenste gedeelte de voornaamste bewegende deelen: as, drijfrad, lantaarnrad en een stuk van de spil. Het is draaibaar op een spits toeloopenden onderbouw en van buiten af door een trapje toegankelijk. Bij beide ligt de as zwak hellend, waardoor de wieken een bijzonder gunstigen stand ten opzichte van den wind krijgen. Deze bestaan uit houten of ijzeren molenroeden, voorzien van dwarslatjes, waarover zeilen gespannen worden. Daar haar verschillende deelen bij het ronddraaien de lucht met verschillende snelheden doorsnijden en bovendien voor ieder gedeelte een bepaalde helling het meest doelmatig is bevonden, moeten de wieken aan de uiteinden een anderen vorm hebben dan bij de as. Als ideale windvang moet volgens la Cour de vierwiekige molen met gebogen wieken beschouwd worden. De Duitsche of bokwindmolen is in zijn geheel draaibaar om een spil; de wieken zijn bij de oudere niet gebogen, de as ligt horizontaal.

Hun voornaamste ontwikkeling vonden de windmolens in de 18de eeuw, toen zich ook vele geleerden, als Smeaton, Euler en Coulomb met de theorie der

Sluiten