Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem tevens de waarneming van het notarisambt werd opgedragen. Na de oprichting van het instituut voor de Javaansche taal werd hij belast met het geven van onderwijs aan deze instt Hing, waaraan hij tot de opheffing in 1843 bleef verbonden. In 1844 werd aan hem en aan Wilkens (zie aldaar) van gouvernementswege de samenstelli g van een etymologisch Javaansch-Nederlandsch woordenboek opgedragen, welk werk tengevolge van verschillende andere werkzaamheden slechts langzaam vorderde. Hij werd in 1847 belast met de vertaling van een gedeelte van de Indische wetgeving in het Javaansch. In 1853 bepaalde het gouvernement, dat hij geacht zou worden het radicaal van ambtenaar 2ae klasse te bezitten, in 1854 ontving hij de orde van den Nederlandschen Leeuw. Hij overleed te Soerakarta den 14den Januari 1859. In 1867 werd zijn borstbeeld opgericht op het erf van het residentiehuis te Solo. Wij noemen van hem: „Javaansche instellingen, gewoonten en gebruiken te Soerakarta", „Beschrijving van de rechtspleging te Soerakarta"(beide in het „Tijdschrift van Nederlandsch-Indië)", „Romo", „Ilaiigling darmo"(beide in de „Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap"), „De Br;\tijoed;i, de R&mé, en de Ardjoen&-sSsré,"(1845, uitgegeven door Roorda), „Adji-S&k&, uit de poëzie in Javaansch proza overgebracht"(2 dln., 1857, uitgegeven door Gaal en Roorcla), „Javaansche samenspraken"(dl. 1, 4de druk, uitgegeven door Vreede, 1902, dl. 2, uitgegeven door Keyzer, 1858) en „Kawi-Javaansch woordenboek"(uitgegeven door Van derTuuk, 1880).

Winter, William, een Amerikaansch schrijver, geboren in 1836 te Gloucester in Massachusetts, studeerde te Harvard in de rechten en liet zich als advocaat inschrijven. Hij was o. a. medewerker aan de „Transcript" en de „Gazette" te Boston en vertrok in 1859 naar New-York, waar hij o. a. in de „Saturday Press" schreef en dramatische overzichten gaf in de „Weekly Review" en de „Tribune". In 1877 deed hij een reis naar Engeland. Van zijn werken noemen wij: „The trip to Ergla':d"(1879— 1880), „English rambles and other fugitives pieces in prose and in verse"(1884), „Shakespeare's England"(1886—1895), „Gray Days and Gold in England and Scotland"(1891—1895), „Old Shrines and Ivy"(1892—1895) en „Brown Heath Papers"(1892). Verder schreef hij een aantal werken, die op het tooneel betrekking hebben, zooals „Life of Edwin Booth"(1872—1894), „The Joffersons"(1884—1894), „Life of Henry Irving"(1885), „The Stage Life of Mary Anderson"(1886) en „Shadows of the Stages" (1892—1895): Van zijn verzen noemen wij: „My \Vitness"(1871), ,,Thistledown"(1887) en „Wanderers"(1888—1893).

Winter, Pharaon de, een Fransch schilder, geboren in 1849 te Bailleul in het departement Du Nord, debuteerde in 1875 in de Salon met een portret van een jong meisje en met een schilderij, den heiligen Sebastiaan voorstellende. Daarop volgden: „De verloren zoon"(1876), ,,Judith"(1877), „Het gebed van de oude vrouw"(1879), „Palmzondag" (1879), „In het veld"(1880), „De Verlossing"(1881), „De schapenscheerder"(1884), „In het laboratorium"(1886), „Augustijner nonnen"(1895), „Biddende nonnen"(1896), „Oude non"(1898), „Twee Trappisten"(1901), „De laatste gebeden"(1902), „Jong meisje in de kerk"(1903), eenige tafereelen uit Vlaanderen en een aantal portretten.

Wintera Murr. is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Magnoliaceeën. Het omvat altijd groene Amerikaansche heesters en boomen; de meest bekende van deze is W. aromatica Murr. (Drimys Winteri Forst), een boom ter hoogte van 12 m. met langwerpige, stompe, lederachtige, aan de onderzijde blauwgroene bladeren; hij groeit op zonnige berghellingen in Chili, Brazilië en Nieuw Granada, en levert een schors, die, bekend onder den naam van kaneel van Magelhaens, een zeer specerijachtigen smaak heeft en wel eens tegen scheurbuik wordt aangewend.

Winterandijvie. Zie Andijvie.

Winterbed noemt men bij een rivier de strook lands tusschen de hooge gronden of dijken ter weerszijden van de rivier, die bij hooge standen (bij ons dus doorgaans in het winterhalfjaar) door water bedekt wordt. Daartegenover staat het zomerbed, een vrij scherp te onderscheiden geul, waarin de groote rivi?ren bij zoogenaamde middelbaren rivierstand en 1 a 2 m. hoogere standen, die doorgaans 's zomers voorkomen, stroomen.

Winterdijk noemt men een dijk, zóó hoog en zwaar, dat hij in staat is de hoogste vloeden te keeren. De omstandigheid, dat deze vloeden doorgaans alleen 's winters voorkomen, verklaart zijn naam. Zij liggen langs onze rivieren op den rand der uiterwaarden (zie aldaar en Dijk) en zijn veel zwaarder dan de zomerdijken, waartusschen de rivier des zomers stroomt en die ook wel zomerkaden worden geheeten.

Winterer, Landelin, een Duitsch Rijksdagafgevaardigde uit den Elzas, geboren den 28sten Februari 1832 te Ober Sulzbach, studeerde in de godgeleerdheid, werd kapelaan te Bischweiler en te Colmar, toen pastoor te Gebweiler en vervolgens stadspastoor en kanunnik te Mülhausen in den Elzas. In 1874 vaardigde het distrikt Altkirch-Thann hem af naar den Rijksdag, waar hij inzonderheid voor de belangen van de Katholieken opkwam. Ook is hij een tegenstander van de Di'itschgezinde partij. In 1903 wees hij om gezondheidsredenen een nieuw mandaat van de hand. Hij bleef echter lid van de vertegenwoordiging van Elzas-Lotharingen. Als redacteur van een aantal Katholieke dagbladen en tijdschriften trad hij inzonderheid op tegen het socialisme. Hij schreef o. a.: „Histoire de la persécution religieuse en Alsace pendant la grande Révolution"(1870), „Histoire de sainte 0dile"(1870), „Le socialisme contemporain"(1878), „Trois années de socialisme"(1882), „Le Danger social"(1885) en „Le socialisme international"(1890).

Winterfeld, Karl, een Duitsch muziekkenner, geboren den 28sten Januari 1784 te Berlijn, studeerde te Halle in de rechten en werd in 1811 „Kammergerichtsassessor" te Berlijn, maar wijdde zich tevens aan de beoefening van de geschiedenis der muziek en verzamelde op een reis in Italië (1812) een groot aantal oude muziekstukken. In 1816 werd hij „Oberlandesgerichtsrat" te Breslau en werd weldra belast met het toezicht op het muzikale gedeelte van de universiteitsbibliotheek aldaar. In Maart 1832 begaf hij zich als geheim „Obertribunalrat" naar Berlijn, waar hij belangstelling wist te wekken voor klassieke en vooral voor kerkelijke muziek. In 1847 nam hij zijn ontslag uit den staatsdienst, om zich uitsluitend bij de muziek te bepalen. Hij overleed den 10den Februari 1852. Van zijn ge-

XVI

13

Sluiten