Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

titel „Digte, gamle og nye" (8ste druk, 1882) uitgegeven, verscheen in 1828. Daarop volgden: „Nogle, Digte" (2de druk, 1852), „Sang op Sagn" (2de druk, 1868), „Digtninger" (1842), „Lyriske Digte" (1849) „Nye Digte" (1851), „Nye Digtninger" (1853), „Brogede Blade" (2ae druk, 1878). Tot zijn grootere gedichten behooren: „Judith" (1837, niet voltooid) en „Hjortens Flugt" (10de druk, 1887). Van zijn novellen noemen wij: „Haandtegninger" (1840), „Fire Noveller" (1843) en „Tre Fortallinger" (2ae druk, 1851). Voor de jeugd schreef hij: „Fem og tyve Fabler" (1845) en „En Morskabsbog" (1850), terwijl hij ook eenige vertalingen o. a. van „Reintje de Vos" (1849) bewerkte. Hij overleed den 30sten December 1876 te Parijs. Zijn „Samlede Digtninger" (11 dln., 1860—72) verschenen te Kopenhagen.

Wintzingerode, George Ernst Levin, rijksgraaf von, een Württembergsch staatsminister, geboren den 278,en November 1752 te Walsrode in Hannover, was de telg van een aanzienlijk geslacht, trad als officier in Ressischen dienst, werd in 1794 in den Duitschen rijksgravenstand opgenomen, begaf zich daarop in Württembergschen dienst en werd in 1801 minister van Buitenlandsche Zaken en in 1806 eerste minister, in welke betrekking hij zich zeer verdienstelijk maakte. Na het overlijden van Frederik I (1816) nam hij zijn ontslag, maar aanvaardde later weder gezantschapsposten te Berlijn, Dresden, Hannover en Kassei. In 1825 echter trok hij zich uit het staatkundig leven terug en overleed te Stuttgart den 248ten October 1834.

Wintzingerode, Heinrich Levin Friedrich Karl, rijksgraaf von, een Württembergsch staatsman, een zoon van den voorgaande, geboren den 16den October 1778, was achtereenvolgens Württembergsch gezant te Karlsruhe, München, Parijs, Petersburg en Weenen, alsmede in het hoofdkwartier der Verbonden Mogendheden gedurende de veldtochten van 1814 en 1815. Als minister van Staat nam hij van 1819—1820 deel aan het ministercongres te Weenen, waar hij als verdediger der vrijzinnige beginselen optrad. Later begaf hij zich naar zijn landgoed Bovenstem en overleed aldaar den 15den September 1856.

Wintzingerode, Ferdinand, vrijheer von, een Russisch generaal, geboren den 15del1 Februari 1770 te Allendorf aan de Werra, trad eerst in Hessischen, daarna in Oostenrijkschen en in 1799 als majoor in Russischen krijgsdienst en werd adjudantgeneraal van Keizer Alexander I. In 1805 vertrok hij als gezant naar Berlijn, om Pruisen tot een verbond met Oostenrijk en Engeland tegen Frankrijk te bewegen, vervolgens naar Weenen om het tractaat met de Verbonden Mogendheden te sluiten. In 1809 streed hij wederom in de Oostenrijksche gelederen bij Aspern en werd bevorderd tot luitenant-generaal. In 1812 voerde hij bevel over een korps der voorhoede en werd den 22sten October bij de Barrière van Twer te Moskou gevangen genomen, doch den 20sten November tusschen Minsk en Wilna door generaal Tsjernitsjew bevrijd, waarna hij het kommando verkreeg over het 2de korps der Russische hoofdarmee. In 1813 voerde hij bij Lützen het bevel over den linker vleugel van de troepen der Verbonden Mogendheden. Na den wapenstilstand vereenigde hij zijn korps met het noorderleger onder den kroonprins van Zweden en

droeg veel bij tot de overwinningen bij Groszbeeren en Dennewitz. Bij Leipzig verwierf hij den^rang van generaal der cavalerie in Russischen dienst. Ook na dien tijd bleef hij bij het noorderleger, trok daarmede naar Holland, vereenigde zich vervolgens bij Laon met Blücher, voerde bevel over de voorhoede, veroverde Rheims en bracht de verbinding tot stand tusschen het korps van Blücher en dat van Schwarzenberg. Na den slag bij Arcis sur Aube volgde hij het leger van Napoleon oostwaarts en bracht dezen daardoor in den waan, dat hij door het geheele leger der Geallieerden werd nagezet. Den 268len Maart 1814 leed Wintzingerode de nederlaag bij St. Dizier. In 1815 was hij wederom bevelhebber van een Russisch korps. Hij overleed te Wiesbaden den 17den Juni 1818.

Wip is de naam van een werktuig, dat uit een langen paal bestaat, die in het midden door een spil ondersteund wordt, zoodat, wanneer het eene uiteinde van den paal naar beneden bewogen wordt, het andere omhoog gaat en omgekeerd. Het wordt bijv. gebruikt om voorwerpen omhoog te heffen of water op te putten. Ook wordt een wip als speeltuig voorkinderen gebruikt.

Wipbrug. Zie Brug.

Wipgalg is de naam van een strafwerktuig, waarmee vroeger gedeserteerde soldaten werden gestraft. Het bestond uit een wip (zie aldaar), waarmee de veroordeelde snel omhoog werd gehaald, waarna men hem weer liet vallen.

Wipper, een rivier in het Pruisische distrikt Köslin, komt uit het Wippermeer en mondt, na een loop van 150 km., van welke 128 voor vlotten bevaarbaar zijn, uit in de Oostzee niet ver van Rugenwalde en vormt er de haven Rugemcaldermunde.

Wipper is ook de naam van een rivier in de Pruisische provincie Saksen, welke bij Sachsenburg zich vereenigt met de Unstrut.

Een derde rivier van dien naam stroomt in datzelfde gewest, ontspringt ten O. van Auerberg in den Harz, neemt links de Eine op en mondt na een loop van 70 km. in de nabijheid van Bern burg in de Saaie uit.

Wiprecht de Oudere, graaf von Groitzsch, gesproten uit het Huis der graven von Ameburg, verruilde zijn stamgoederen in de Altmark met de bezittingen van graaf Udo von Stade in de omstre| ken van Pegau en Groitzsch in het koninkrijk Saksen, verwierf door zijn huwelijk met Jutta (1086), een dochter van Wraiislaw, hertog van Bohemen, ook de Oberlausitz en door keizer Hendrik IV, dien hij op een tocht naar Italië vergezelde, nog Leisnig, Lauterstein en Domburg. In 1096 stichtte hij het klooster te Pegau en later dat te Reinersdorf aan de Unstrut. Wegens de verdeeldheden over de erfopvolging in Bohemen kwam hij in botsing met keizer Hendrik V en moest in 1110, om de vrijheid van zijn zoon Wiprecht den Jongere te verwerven, Leisnig, Morungen en de Oberlausitz afstaan. Wegens de goederen van den graaf van Weimar, welke Hendrik V zich toegeëigend had, ontstond een nieuwe strijd, waarin Wiprecht zich bij de vijanden van den keizer aansloot, en waarin hij in 1113 door den keieerlijken veldheer graaf Hoyer von Mansveld in een gevecht bij Warnstadt gevangen genomen en door een rechtbank van vorsten te Würzburg ter dood veroordeeld werd. Zijn zoon redde wel is waar zijn leven door Groitzsch en andere

Sluiten