Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goederen aan den keizer af te staan, maar Wiprecht de Oudere bleef niettemin bij voortduri g in hechtenis. Toen kwamen zijn zonen Wiprecht de Jongere en Heinrich gezamenlijk in opsta"d tegen den keizer, brachten in 1115 in den slag bij het Welfesholz in het land van Mansfeld aan Hoyer de nederlaag toe, veroverden Groitzsch en noodzaakten den keizer, hun vader op vrije voeten te stellen. Nu kwam deze weder in de gunst bij den keizer, die hem niet alleen zijn bezittingen teruggaf, maar hem daarenboven het burchtgraafschap Maagdenburg en de Ni derlausitz schonk. Wiprecht wist zich in het bezit vai deze goederen te handhaven en verloor alleen de mark Meiszen aan Iioenraad van Wettin. Hij werd in het laatst van zijn leven monnik in het klooster Pegau en overleed aldaar in 1124. Zijn geslacht stierf weldra uit in de mannelijke lijn, zijn goederen kwamen voor het grootste deel aan het Huis Wettin.

Wirnt von Gravenberg-, een Middel-Hoogduitsch dichter, sclire-ef, waarschijnlijk aan het hof van Bertliold IV van Meran, den ridderroman „Wigalois, oder der Ritter mit dem Rad", waarvoor hij de stof ontleende aan de vertelling van een schildknaap. Deze putte op zijn beurt uit den Franschen roman „Le bel inconnu" van Renaud de Beaujeu. Naar de stof behoort het werk tot den sagenkring van koning Artur en zijn tafelronde; in zijn wijze van voorstelling sloot Wirnt zich aan bij Hartmann von der Aue en Wolfram von Eschenbach. Een prozabewerking van het gedicht werd in 1472 door een onbekende vervaardigd en in 1493 voor de eerste maal gedrukt. De „Wigalois" van Wirnt is uitgegeven door Benecke (1819) en Pfeiffer (1847).

Wirsén. Karl David af, een Zweedsch dichter, geboren den 9dcn December 1842 te Balsta in Upland, studeerde te Upsala en verkreeg in 1866 het doctoraal diploma. Van 1866—1867 bezocht hij Frankrijk en werd in 1868 leeraar in de geschiedenis der letterkunde te Upsala en in 1870 lector in de Zweedsche en Latijnsche talen aan het gymnasium aldaar. Nadat hij van 1871 tot 1872 in Italië had vertoefd, ontving hij in 1875 zijn ontslag als lector en verkreeg op voorstel der Academie, in 1876 eene staatssubsidie tot het doen van wetenschappelijke nasporingen. Behalve een aantal opstallen in maandwerken leverde hij: „Jemförelse mellan Vischers och Zeising dsigter om det humoristiska" (1866), „Studier röranda reformerne inom Frankrikes vitterhet under sextonde och nittonde seklen" (1868), biographieën en karakterschetsen van Claes Livijn (1870), Ernst Björck en Daniël Klockhoff Böttiger, Oxenstjerna, Franzèn en Nieander, „Dikter" (1876), „Nya dikter"(1880), „S<tnger och bilder"(1885) en „Vintergrönt" (1890). In 1879 werd hij tot lid van de Zweedsche academie benoemd, in 1884 werd hij secretaris van deze instelling. In 1880 werd hij redacteur van de „Post och Inrikes Tidning." Sommige van zijn kritieken werden in 1901 verzameld.

Wirth, Johann Georg August, een Duitsch staatsman, geboren den 20sten November 1798 te Hof in Beieren, studeerde te Erlangen in de rechten en was als advocaat eerst werkzaam te Schwarzenbach aan de Saaie en sedert 1823 te Baireuth. In 1831 begaf hij zich naar Miinclien en belastte zich met de redactie van het tijdschrift: „Das Inland", in ministerieelen geest geschreven, maar ging wel¬

dra over tot de liberale partij en stichtte de „Deutsche Tribune". De vervolgingen, welke hij zich daardoor op den hals haalde, brachten hem langzamerhand tot de uiterste linker zijde. Weldra begaf hij zich naar Rijn-Beierèn. In Maart 1832 werd door den Bondsdag de uitgave van zijn dagblad verboden. Hij zelf werd wegens een redevoering, bij het feest te Hambacli den 27sten Mei van dat jaar gehouden (op nieuw gedrukt in 1872), waarin hij zijn lardgenooten opriep tot het vormen van een vaderlandlievenden bond, in hechtenis genomen en naar Tweebruggen gebracht. In zijn gevangenschap ontwikkelde hij zijn staatkundige denkbeelden in het vlugschrift: „Die politische Reform Deutschlands" (1832). Nadat hij in 1833 te Landau voor een rechtbank van gezworenen was gebracht, werd hij vrijgesproken, maar het politiegerecht veroordeelde hem wegens beleediging van binnenlandsche-en buitenlandsche ambtenaren in November 1833 tot een gevangenisstraf van twee jaren, die hij te Ivaiserslautern moest doorbrengen. Hier schreef hij: „Fragmente zur Kulturgeschichte der Menschheit" (2 dln., 1835). Na het eindigen van zijn straftijd bleef hij onder toezicht van de politie en vluchtte daarom in 1836 naar Frankrijk en in 1839 naar Thurgau, van waar hij de te Constanz verschijnende „Deutsche Volkshalle" redigeerde en zijn „Geschichte der Deutsclien" (4 dln., 1843—1845, 4de druk, voortgezet door Zimmermann, 1860—1864) in het licht gaf. In 1847 vestigde hij zich te Karlsruhe. Hij werd lid van de Nationale Vergadering te Frankfort en overleed aldaar den 26aten Juni 1848.

Wirth, Max, een Duitsch staathuishoudkundige, een zoon van den voorgaande, geboren den 27sten Januari 1822 te Breslau, studeerde in de rechten, wijdde zich vervolgens aan de journalistiek, richtte te Frankfort a. d. Main het weekblad „Arbeitgeber" op, was van 1865—1873 directeur van het Statistisch bureau in Zwitserland, als hoedanig hij de „Allgemeine Beschreibung und Statistik der Schweiz" (3 dln., 1870—1875) publiceerde en woonde sedert 1874 als medewerker aan de „Neue freie Presse" en correspondent van den Lopdenschen „Economist" te Weenen. Hij schreef o. a.: „Grundzüge der Nationalökonomie" (4 dln., 1855—1873; dl. 1 5de druk, 1881, dl. 2 4de druk, 1882, dl. 3, 3de druk, 1883), „Geschichte der Handelskrisen" _(4ae druk, 1890), „Deutsche Geschichte in der Periode der germanischen Staatenbildung" (1862), „Oesterreichs Wiedergeburt aus den Nachwehen der Krisis" (1876), „Kultur- und Wanderskizzen" (1876), „Die Krisis in der Landwirtschaft" (1881), „Das Geld" (1884), „Die Quellen des Reichtums" (1886) en „Die Notenbankfrage in Beziehung zur Wahrungsreform in Oesterreich Ungarn." Hij overleed den 18den Juli 1900 te Weenen.

Wirth, Johann Ulrich, een Duitsch wijsgeer, geboren den 17den April 1810 te Dizingen in Württemberg, studeerde te Tubingen in de wijsbegeerte en godgeleerdheid, werd hulpprediker te Weinsberg en vervolgens godsdienstleeraar, eerst te Kleingartach en in 1842 te Winnenden. Hij was aanvankelijk een aanhanger van Hegel, stichtte met Weisze, Ulrici en J. H. Fichte de school der Theïsten en nam deel aan de redactie van de „Zeitschrift für Philosophie und philosophische Kritik". Voorts schreef hij: „System der spekulativen E-

Sluiten