Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wiszniewski. Michaël, een Poolsch schrijver, geboren in 1794 te Firihjow in Galicië, bezocht het lyceum te Krzemir kc in Volhyrië, studeerde vervolgens te Edinburgh, vertoefde sedert 1818 wegers zijn zwakke gezondheid meestal in Italië en doceerde sedert 1830 aan de universiteit te Krakau algemeere geschiedenis en geschiedei is dei; letterkunde. Hij overleed te Nizza in 1865, nadat hij aldaar eenige jaren in afzondering had doorgebracht. Zijn voornaamste geschrift is een gesclii der.is der Poolsche letterkunde, die echter slechts tot aan de 17de eeuw loopt, getiteld: „Historya literaturv polskiéj"(10 dln., 1840—1860). Daarenboven schreef hij: „Bakona meloda tlumazzenia ratury"(1834) en „Charaktery rozumow ludzkich"(1837). Met Czacki leverde hij: „Pomniki do history i literatury polskiéj" (4 dln., 1835).

Wit is de kleur van het zonlicht, dat uit een onei dig groot aar tal verschillende kleuren is samengestnld, en in het algemeen van elk licht, dat in dezelfde verhoudi g samengesteld is, zooals het kalklicht, het magnesiumlicht en het electrisch booglicht. Verder noemt men een lichaam wit, warneer zijn niet gepolijste oppervlakte alle in het zonlicht aanwezige gekleurde stralen terugkaatst en wanneer het ook het tot op een zekere diepte doordringende zon- of daglicht in deztlfde verhouding van de kleuren weergeeft. E<m volkomen wit lichaam is bij elke belichtirg wit. Meestal vertoont het wit de een of andere schakeerirg; het zuivere wit draagt den naam van sneeuwwit. Van de voorraamste witte verfstoffen noemen wij: loodwit, zi kwit, barytwit, gips, krijt, kalk en bismuthwit. Hamburgsch (Hollai dsch of Venetiaarsch) wit is een mergsel van 1 deel loodwit en 2 deelen zwaarspaat, Kremserwit is loodwit, en Parijsch wit is gemalen en geslibt kalkspaat.

Wit, Jacob de, een Hollardsch schilder van decoratieve stukken, tevens graveur, werd geboren te Amsterdam in 1695 en overleed aldaar in 1754. Hij was een leerling van Albert van Spiers te Amsterdam. Van 1708—1715 woonde hij te Antwerpen, waar hij twee jaar bij J. van Hal werkte. Tusschen. 1711 en '12 maakte hij teekerii gen naar 36 van de 39 plafondstukken, die Rubens met zijn leerlingen in 1620 van de Jezuïetenkerk te Antwerpen gemaakt heeft. Naar tien daarvan maakte hij zelf gravures en nadat in 1718 deze kerk verbrandde, graveerde J. Punt ze alle. In 1714 werd De Witlik van het St. Lucas-gilde te Antwerpen. In Amsterdam teruggekeerd, schilderde hij een groot aantal plafondstukken, behangsels, dessus de portes enz. Vooral muntte hij uit in 't schilderen van grisailles in basreliëf, die naar hem vaak „de Witjes" genoemd worden. Uitnemende voorbeelden van zijn kurst kan men leeren kennen in het Paleis te Amsterdam en in het stadhuis en het Huis ten Bosch te 's Gravenhage. Behalve in vele particuliere woningen, bevinden zich ook werken van zijn hand in het Rijksmuseum en in het Maagdei huis te Amsterdam, in het Stedelijk museum te Haarlem en in het Museum Boymans te Rotterdam.

Wit, Ferdinand Johann, von Dörring genoemd, een staatkundig g lukzoeker, geboren in 1800 te Altoi a, studeerde s drrt 1817 te Ki 1 en te Jena, waar hij als lid va i een Burschenschaft in December 1818 verbannen wird. Hij vrrtrok i aar E gela d, maar vertoefde latir ond< r den naam van zijn stief¬

vader Dörring, door de politie vervolgd, in Frankrijk, Italië en Zwitserland, totdat hij den 20sten September 1821 op het grondgebied van Savoye in hechtenis genomen en naar Milaan gebracht werd. In December 1822 ontsnapte hij uit de citadel te Milaan, zwierf een jaar lang in Zwitserland en Duitschland rond, werd den 24sl<™ Februari 1824 wederom in hechtenis genomen te Baireuth, naar Berlijn vervoerd en eindelijk in 1826 in de Deensche vesting Friedrichsort gevangen gezet. Hier schreef hij: „Lukubrationen eines Staatsgefangenen"(1827) gevolgd door: „Fragmente aus meinem Leben und meiner Z' it"(4dln., 1827—1830) en „Mein Jugendleben und meine Reise"(1832). Nadat hij in vrijheid gesteld was, trad hij in 1828 te Weimar in het huwelijk met een rijke erfgename en vestigde zich vervolgens in Sleeswijk, totdat hij goederen kocht in Opper-Silezië. Hij overleed te Meran den 22sten October 1863.

Wit, Augusta de, in 1864 geboren te Siboga (Sumatra's Westkust), vertrok in 1872 naar Nederland, studeerde te Londen en te Cambridge en was van 1894 tot 1896 leerares aan de hoogere burgerschool voor meisjes te Batavia. Na vervolgens een paar jaar als journaliste te Berlijn te hebbendoorgebracht, vestigde zij zich weer in ons land en is thans aan de Nieuwe Rotterdamsche Courant verbonden voor de rubriek Nieuwere Hoogduitsche en Engelsche letteren. Haar voorraamste geschriften zijn: „Verborgen bronnen" (1898), „Orpheus in de dessa" (1902), „De godin, die wacht"(1903), „Java,'feiten en phantasieën" (uit het Engelsch vertaald door Cornelia van Oosterzee, 1904), „Het dure moederschap"(1907), „Het gulden sprookjesboek" (1910).

Witblik. Zie Blik.

Witbol is een andere naam voor Zorggras. Zie aldaar.

Witbooi, Hendrik, een hoofdman der Namabastaards in Duitsch Z.W. Afrika, onderwierp zich den 9den September 1894 aan de Duitsche heerschappij, was behulpzaam in den oorlog tegen de vereerigde Ovambandjeroe-Herero en de KhamaHottentotten, beloofde in December 1903 hulp tegen de Bondelzwarts, die in opstand gekomen waren, en leverde in het midden van 1904 nog een kleine hulptroep tegen de Herero. In het begin van October zeide hij echter aan de Duitsche regeering de gehoorzaamheid op. Den 29sten October 1905 zwaar gewond bij Vaalgras, deed hij zijn oudsten zoon; Samuel Izaak, tot kapitein van de Witbooi-Hottentotten verkiezen en overleed den 3den November 1905. Izaak Witbooi onderwierp zich later en zag zich Otavi als woonplaats aangewezen.

Witebsk. een West-Russisch gouvernement, grenst aan de gouvernementen Pskow, Smolensk, Mohilew, Minsk, Wilna, Koerland en Lijfland en telt op 45167,7 v. km. 1489 246 inwoners. De grond is in het algemeen heuvelachtig, in de laagten tusschen deze heuvels vindt men vele meren en moerassen. De belangrijkste rivier is de Duna, die over een lengte van 742 km. door dit gouvernement stroomt, en de Mesha, Kaspija, Oella, Drissa en Ewst opneemt. Men telt er meer dan 2500 meren, de grootste vau deze zijn: de Lubahn (aan de grenzen van Lijfland), de Rasno, de Newel, de Sebesh en de Oswea. De moerassen beslaan ongeveer een oppervlakte van 4000 v. km. Het klimaat is in het W. zachter dan in het O. De voornaamste middelen van bestaan zijn landbouw, boschbouw en kleinhandel. In 1905 le-

Sluiten