Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechten en staatkundige wetenschappen. Daarop i wilde hij zich in 1816 te Berlijn vestigen als privaatdocent, maar de faculteit li ad daartegen bezwaar wegens zijn jeugdigen leeftijd, zoodat de regeering hem het noodige geld toekende tot het volbrengen van een studiereis. Gedurende een tweejarig verblijf in Italië hield Witte zich bezig met velerlei nasporingen op rechtsgeleerd gebied, alsmede op dat der kunst en der Italiaansche letterkunde. In 1823 werd hij buitengewoon en in 1829 gewoon hoogleeraar in de rechten te Breslau, terwijl hij later in die betrekking naar Halle vertrok, waar hij in 1855 benoemd werd tot ordinarius der rechtsgeleerde faculteit en tot geheimraad van justitie. Van zijn rechtsgeleerde werken noemen wij: „Das preuszische Intestaterbrecht" (1838). Zijn werken over de Italiaansche letterkunde, inzonderheid over Dante, worden ook in Italië zeer gewaardeerd. Hij leverde o. a.: een vertaling van de „Decamerone" van Boccaccio (3de druk, 3 dln., 1859) en van Dantës lyrische gedichten (met Kannegieszer, 2ie druk, 2 dln., 1842), verder een voortreffelijke kritische uitgave der „Divina commedia" (1862) van Dante, gevolgd door een metrische, rijmlooze vertaling daarvan met een commentaar (1865 ; 3de druk, 2 dln., 1876), en een kritische uitgave van „De monarchia" (2de druk, 1874) en van „Vita nuova" (1876), beide van Dante. Ook bewerkte hij den 5den druk van de.vertaling der „Divina commedia" van Kannegieszer. Eindelijk noemen wij van hem: „Alpinisches und Transalpinisches" (1858) en „Danteforschungen" (1869). Het Duitsche Dantegenootschap, dat onder protectoraat van koning Jóhann van Saksen werd opgericht, heeft zijn oorsprong aan Witte te danken. Hij overleed te Halle den 6aen Maart 1883.

Witte, Sergjej Julijewitsj, graaf, een Russisch staatsman, geboren den 29slen Juli 1849 te Tiflis, studeerde te Odessa in de natuurwetenschappen, was daarna bij den spoorwegdienst werkzaam en onderscheidde zich in den Turkschen Oorlog (1877 —1878) door het organiseeren van het spoorwegbedrijf in het Z. In 1886 werd hij directeur van de Russische Z. Westerspoorwegen, in 1888 chef van de nieuwe afdeeling spoorwegen bij het ministerie van Financiën en voorzitter van de Tarief commissie. In 1892 werd hij benoemd tot minister van Verkeerswegen en in 1893 tot minister van Financiën. Als zoodanig maakte hij een begin met de staatsexploitatie van spoorwegen en met den bouw van den Siberischen spoorweg; hij voerde den gouden standaard, nieuwe spoorwegtarieven en het brandewijnmonopolie in-, bracht een wet op de verkorting van den arbeidsdag tot stand en wist het evenwicht in de staatshuishouding te herstellen. In 1903 werd hij voorzitter van den ministerraad, terwijl hij, tegenstander van den Russisch-Japanschen Oorlog, in Juli 1905 Moerawjew verving als eerste gevolmachtigde voor de onderhandelingen met Japan. Den 6den November 1905 benoemd tot voorzitter van een constitutioneel ministerie, nam hij den 30sten April 1906 zijn ontslag. Zijn laatste werk was het tot stand brengen van een milliardenleening. Hij schreef in het Russisch: „De beginselen van de spoorwegtarieven" (1883) en een verhandeling over Fr. Liszt.

Witte Berg- is de naam van een berg ten W. van Praag (379 m. hoog), die bekend geworden is

door den veldslag van den 8sten November 1620, waarin het keizerlijk leger onder Maximiliaan van Beieren en Tilly het Boheemsch leger onder Christiaan van Anhalt en Frederik V van de Palts versloeg.

Wittebrood. Zie Brood.

Witte Donderdag (Dies viridum, Feria bona quinta, Dies absolutionis, Dies indulgentiae of Coena domini) noemt men den Donderdag vóór Paschen, die in de 7ae eeuw n: Chr. als een herinnering aan de instelling van het Avondmaal tot een feestdag werd verheven.

Witte en Roode Boos. Zie Groot-Brittannië en Ierland, Geschiedenis.

Witte Huis. Zie Washington.

Witte Kaproenen noemde men in 1379 de Gentenaars, die zich onder hun hoofdman Jan Yoens tegen de drukkende overheersching van Lodewijk van Male verzetten en als onderscheidingsteeken een witte kaproen droegen.

Wittekind of Widukind, een veldheer van de Saksers in hun oorlogen tegen Karei den Groote, was afkomstig uit een voorname familie van de Westfaalsche Saksers en trad op als hertog der Saksers, toen Karei de Longobarden aan zijn heerschappij onderwierp. Reeds had Wittekind in 774 den Eresburg ingenomen, toen Karei verscheen, de Saksers versloeg, hen terugwierp over de Wezer en hen onderwierp. Wittekind redde zich door de vlucht en vernieuwde in 776 den opstand. Toen Karei vervolgens nogmaals met een groote overmacht oprukte en de Saksers in 777 te Paderborn tot een verdrag noodzaakte, nam Wittekind de wijk naar Denemarken en deed, zoodra Karei tegen de Spanjaarden te velde trok, een inval in het Frankische Rijnland. De terugkeer van den keizer dwong hem opnieuw om te vluchten, maar in 782 overrompelde hij in het Süntelgebergte aan de Wezer het Frankische leger, over welks vernietiging Karei wraak nam door 4500 Saksische gevangenen bij Verden aan de Aller te doen ombrengen. Toen kwam het geheele Saksische volk onder Wittekind en Aïboin in opstand. De slag bij Detmold (783) bleef onbeslist, maar in den tweeden slag, aan de Hase bij Osnabrück, werd de macht der Saksers vernietigd. Wittekind en Albion onthielden zich van verderen weerstand en knoopten zelfs onderhandelingen aan met de Franken. Zij verschenen in 785 in de legerplaats van Karei te Attigny in Chamgagne en werden er gedoopt. Volgens de sage verhief Karei Wittekind tot hertog der Saksers en gaf hem het land van Engern ten geschenke, waar Wittekind rechtvaardig en zachtmoedig geheerscht zou hebben, tot hij in 807, tegen Gerold, hertog van Zwaben, zou zijn gesneuveld. Zijn grafstede te Engern werd later door Karei IV vernieuwd en zijn gebeente is in 1414 vervoerd naar Herford, vanwaar het in 1822 wederom naar Engern werd gebracht. Onderscheiden vorstenhuizen beweren, van Wittekind af te stammen, zooals die van Brunswijk en Savoye.

Witte Kruis is de naam van een vereeniging, : die in April 1882 onder voorzitterschap van prins

■ Von Sehwarzenberg werd gevormd. Zij heeft ten doel leden van het Oostenrijksch-IIongaarsch leger, die

■ in den oorlog gewond zijn of behoefte hebben aan verpleging naar badplaatsen of herstellingsoorden te

, zenden. Verder houdt zij zich bezig met de opriclii ting van instellingen, waar officieren en weduwen

Sluiten