Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en weezen van officieren worden gehuisvest.

In ons land is een vereeniging, het „Witte Kruis" in de provincie Noord-Holland gevestigd, die zich ten doel stelt het afweren en beteugelen van besmott lijke zi kten, het verleenen van hulp bij epidemi ën en gewone ziektegevallen en het helpen bevorderen van algemeene gezondheidsbelangen.

Wittelsbach. is de naam van het stamhuis der voormalige hertogen van Beieren en van de Palts, alsmrd 1 van het tegenwoordige vorstelijk huis in B ieren (dat der Wittelsbachers). Het verhief zich weleer in Opper-Beieren bij Aichach, maar werd in 1209 tot den grond toe verwoest. Op de plek, waar het stond vindt men thans een kerk en een obelisk ter hoogte van 15 m.

De eerste bekende Wittelsbacher was markgraaf Luitpold, die in de 10ae eeuw leefde en tot de bloedverwanten behoorde van Lodewijk het Kind. Hij aanvaardde dén titel van hertog van Beieren en sneuvelde in 907 bij Preszburg in den strijd tegen de Magyaren. Zijn zoon Arnulf kwam in opstand tegen koning Koenraad I, maar leed de nederlaag en sloot in 921 vrede met Hendrik 1. Na zijn dood (937) verleende keizer Otto I Beieren niet aan de zonen van Arnulf, maar aan hun oom Berthold en na het overlijden van dezen (947) aan zijn eigen broeder Hendrik. Arnulf s evenzoo genoemde zoon droeg den titel van paltsgraaf van Beieren en graaf van Scheyern. De nakomelingen van Arnulf, verplaatsten in 1108 hun zetel van Scheyern naar Wittelsbach en noemden zich graven van Wittelsbach. Otto I herkreeg in 1180 het hertogdom Beieren. Zijn zoon en opvolger Lodewijk 1 (1183—1231) deed zijn zoon Otto de Doorluchtige (1231—1253) in het huwelijk treden met een dochter van don paltsgraaf Hendrik, die geen mannelijke nakomelingen naliet, zoodat de Rijnpalts onder het bewind kwam van het Huis Wittelsbach. Na het overlijden van Otto (1253) werd zijn rijk verdeeld onder zijn zonen. Lodewijk II verkreeg de Palts en Opper-Beieren en Hendrik NederBeieren. De keurvorstelijke waardigheid verbleef toen door een beschikking van keizer Karei IV aan de lijn Palts-Wittelsbach, totdat bij den Munsterschen Vrede die waardigheid zoowol aan Beieren als aan de Palts werd toegekend. Met Max Jose-ph is in 1777 het Huis Wittelsbach in Beieren uitgestorven, dat toen in bezit kwam van de lijn Palts-Wittelsbach. Keurvorst Maximiliaan aanvaardde in 1806 de koninklijke waardigheid.

Wittem, een gemeente in de provincie Limburg, 3467 HA. groot met (1910) 4180 inwoners, wordt begrensd door de Nederlandsche gemeenten Slenaken, Gulpen, Wijlré, Voerendaal, Bocholtz, Simpelveld, Vaals en Gemmenich, de Pruisische gemeente Orsbach en de Belgische gemeenten Sippenaken, Beusdal en Teuven. De bodem bestaat meest uit hooggelegen heuvelachtige gronden, grootendeels bedekt met mergel. Langs de Geul, de Selzerbeek en de Eis vindt men ook beekklei. Landbouw is het hoofdmiddel van bestaan. De gemeente omvat de dorpen Mechelen, Eis en Epen, benevens een aantal buurten en gehuchten. Zij is samengesteld uit het voormalige graafschap Wittem en uit de heerlijkheden Epen en Kartils. In het gehucht Wittem vindt men het Kapucijnerklooster, dat in 1732 door graaf Ferdinand van Plettenberg werd gesticht. Ook vindt men er een inrichting voor hooger onderwijs van de Geestelijke vereeniging van priesters.

Witten, een stad in het Pruisische distrikt Arnsberg, ligt aan de Ruhr en aan eenige spoorwegen, bezit twee Protestantsche, 2 Katholieke en een Oud-Katholieke kerk, een gymnasium, een weeshuis, een genootschap tot uitbreiding van de kennis van de omgeving, een diaconessenhuis en (1905) 35 841 inwoners. Er is veel nijverheid, o.a. een groote staalgieterij, een fabriek voor stalen buizen, 2 glasfabrieken, een fabriek voor spoorwegmateriaal, een aantal andere metaalfabrieken, ijzergieterijen en machinefabrieken, fabrieken voor werktuigen, schroeven, stoomketels, kabels, gegoten voorwerpen, chemische produkten, leer, zeep enz., molens, brandewijnstokerijen, tichelfabrieken en steenkoolmijnen.

Wittenberg'. een stad in het Pruisische distrikt Merseburg, ligt op den rechter oever der Elbe, over welke een steenen brug ter lengte van 276 m. en een spoorwegbrug ter lengte van 294 m. is gelegd, en aan 2 spoorwegen. Er zijn drie voorsteden, twee Protestantsche kerken, een Katholieke kerk, een stadhuis, het vroegere klooster van de Augustijnen met de cel van Luther en het zoogenaamde Lutherhuis met de in 1883 ingewijde Lutherhal, waar men een aantal herinneringen aan Luther en andere hervormers en de voorstelling van Cranach van de 10 geboden heeft verzameld. De voormalige vestingwerken zijn sedert 1873 gesloopt. De stadskerk bevat een beroemd schilderstuk van Lukas Cranach, „Avondmaal, biecht en doop" voorstellende. De voormalige woning van Melanchthon is van een gedenksteen voorzien, alsmede die van Cranach. Op de markt voor het stadhuis verheft zich het bronzen standbeeld van Luther (van Schadow, 1822) en daarnaast dat van Melanchthon (van Drake, 1866). De slot- en universiteitskerk, door Frederik de Wijze van 1490—1499 gebouwd, waaraan Luther den 31sten October zijn 95 stellingen vasthechtte, welke sedert 1858 op metalen deuren in brons gegriffeld zijn, is in 1892 gerestaureerd. Zij bevat de graven van Luther, Melanchthon, Frederik den Wijze en Johan den Bestendige. Voor de Elsterpoort bevindt zich de plek, waar Luther den 10den December 1520 de bul van den paus verbrandde. Men vindt te Wittenberg een gymnasium, een seminarium, ijzergieterijen, machinefabrieken, fabrieken voor aardewerk, zeeppoeder, mout, etherische oliën enz. ticbelwerken, molens, bierbrouwerijen, groenteteelt en bloementeelt. Het aantal inwoners bedraagt (1905) 20 332.

Deze stad wordt het eerst vermeld in 1180 en was onder Albrecht I de residentie der hertogen van Saksen, vervolgens van de lijn Saksen-Wittenberg. De universiteit, in 1502 door Frederik den Wijze gesticht, schonk aan de stad een nieuwen bloei en na het optreden van Luther was zij geruimen tijd het middelpunt van de beweging der Hervorming in Duitschland. Door den invloed van MelanchtJuni werd zij tegenover de steile rechizinnigheid van Jena de kweekplaats van de verdraagzame gevoelens, die zich bij de behandeling van de leer van het Avondmaal reeds in de Wittenberger Formula Concordiae van Mei 1536 openbaarden. Bij de Wittenberger Capitulatie (18 Mei 1547) stond keurvorst Johann Friedrich zijn land en de keurvorstelijke waardigheid af aan hertog Moritz, en van dien tijd nam de bloei van de stad af. Gedurende den Zevenjarigen Oorlog werd Wittenberg door de Pruisen bezet, van den 10den tot den 14den October 1760 werd het door de Oostenrijkers gebombardeerd en

Sluiten