Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot capitulatie genoodzaakt. In 1806 namen de Franschen Wittenberg in bezit. Napoleon 1 deed de vestingwerken herstellen en belastte in 1813 den maarschalk Victor met het opperbevel. Van den 268,en Maart tot aan den 20slen April werd het door het korps van den luitenant-generaal Von Kleist geblokkeerd, na den slag bij Dennewitz door dat van Von Bülow omsingeld. Tegen het einde van October rukte de brigade van den generaal-majoor von Dobschüiz voor Wittenberg, de eigenlijke belegering nam echter eerst een aanvang na de verovering van Torgau den 28sten December, waarna den 13^ Januari 1814 de bestorming plaats greep. Generaal Tauenzien, die de belegering had bestuurd, ontving den titel van Tauenzien van Wittenberg. De Wittenbergsche universiteit werd den 12aen April 1815 met die te Halle vereenigd en daarheen verplaatst.

Wittenberge. een stad in het Pruisisch distrikt Potsdam, aan de Elbe en aan den mond van de Stepenitz, is het vereenigingspunt van onderscheiden spoorwegen en telt (1905) 18 501 inwoners. Men vindt er een Protestantsche en een Katholieke kerk, een kapel van de Baptisten, een hoogere burgerschool, een weeshuis enz. Er is veel nijverheid; men vindt er o. a. fabrieken voor spoorwegmateriaal, kunstwol, laken, olie, naaimachines, vet, zeep, meubels, cementwaren enz., een ijzergieterij, stoomzaagmolens, scheepsbouw, tichelwerken enz.

Witte Vaders (Pères blancs) worden, naar de kleur van hun kleeding, de zendelingen genoemd, die behooren tot de „Société des missionnaires de Notre-Dame d'Afrique", in 1868 door kardinaal Lavigerie opgericht. Zij zijn sedert 1879 werkzaam, voornamelijk in de Sahara en in het gebied van de groote meren van Centraal-Afrika. Hier bezitten zij 7 apostolische vicariaten en een praefectuur. Hun aantal, verdeeld over 123 stations (waarvan 117 in Afrika en 6 in Palestina) bedroeg in 1907 880, waaronder 520 priesters. De zetel van den overste is Maison-Carrée bij Algiers.

Witte vloed (Leucorrhoea, Fluor albus) is een min of meer slepende, catarrhale aandoening van het slijmvlies der vrouwelijke geslachtsdeelen, vergezeld van uitvloeiing van slijm. Zij wordt vooral waargenomen bij zwakke, lymphatische vrouwen, maar kan ook van specifieken aard zijn en door gonorrhoe ontstaan. De lijderessen gevoelen zwaarte in den onderbuik, pijn in de lendenen en zijn spoedig vermoeid. Haar gelaat is bleek en fletsch en bij een langen duur der ziekte wordt de voeding gestoord. Soms is een goed diëst met vermijding van alle prikkels voldoende tot genezing, maar vaak moet men de aandoening door lokale behandeling bestrijden.

Witte Wijk is een kanaal in de Drentsche gemeente Smilde, dat van de Smildervaart in westelijke richting tot de Friesche grens loopt, waar het bij Nieuw-Appelscha met de Stellingwerver Compagnonsvaart in verbinding staat. Tot 1894 waren beide vaarten op de grens der beide provincies gescheiden door een dam bij Appelsga. Toen werd de dam opgeruimd en vervangen door een schutsluis. Echter mag het schutten slechts onder bepaalde voorwaarden geschieden, daar de Witte Wijk ruim 3 m. hooger ligt.

Witte Wijven waren naar het volksgeloof der oude Germanen, ook volgens dat van de bewoners der oostelijke gedeelten van ons land, bewoonsters

van holen en hutten, welke zij nu en dan verlieten, om geluk of ongeluk te voorspellen, aanwijzingen te doen van ontvreemde goederen enz. Het bijvoegelijk naamwoord witte ziet niet op de kleur, maar is afkomstig van weten, zoodat men onder witte of wijze vrouw een vrouw verstaat, die bekend is met verborgen of toekomstige gebeurtenissen.

Witte Zee, door de Russen Bjeloje More geheeten, is dat gedeelte der Noordelijke IJszee, dat gelegen is tusschen Kaap Kanin Noss, de noordwestkust van het schiereiland Kanin en het Heilige Voorgebergte (Swatoi Noss) aan de kust van het schiereiland Kola, zuidwaarts tot 46° N. Br. in het Russische gouvernement Archangel doordringt en zich hier verdeelt in de Mesenbaai en de Dwinabaai in het oosten, de Onegabaai in het zuiden en de Kandalasjbaai in het westen. Aan haar ingang tusschen genoemde kapen heeft zij een breedte van 170 km., •iie daarna geringer wordt. Zij beslaat een oppervlakte van ongeveer 84000 v. km. In den mond van de Onegabaai ligt de groep der Soloweskische Eilanden met een versterkt klooster en een zoölogisch station. De diepte van de zee wisselt af tusschen 100 en 350 m.; in de baaien bedraagt zij minder dan 100 m. Het zoutgehalte is in het N. meer dan 3 %, in het Z. 2,5 % en minder. De Witte Zee is bijna nooit geheel vrij van ijs, ook in den tijd van het laatst van Mei tot aan het begin van September, wanneer er zich geen vast ijs in bevindt, treft men er meestal ijsschotsen aan. De scheepvaart heeft alleen in de maanden Juni, Juli en Augustus plaats. Tot in Juli is de zee dikwijls met dichte nevels bedekt. Door twee kanalen, die de Dwina met de Wolga en de Dnjepr verbinden, is een rechtstreeksche scheepvaart tot stand gebracht van de Zwarte en de Kaspische Zee naar de Witte Zee. De oeverbewoners, Russen, Lappen, Finlanders en Samojeden, houden zich bezig met de visch- en zeehondenvangst en jacht. De voornaamste koopstad is Archangel, tot de kleinere havenplaatsen behooren Onega, Kowda, Mesen en Kem, waar vooral timmerhout en allerlei houten voorwerpen worden uitgevoerd. De waterweg naar de Witte Zee werd in 1553 ontdekt door den Engelschman Richard Chancellor, die deel nam aan een expeditie onder Hugh Willoughby tot het opsporen van een noordoostelijke doorvaart. De Engelschen stichtten toen aan den mond der Dwina bij het klooster van den aartsengel Michael het kleine fort Archangel als stapelplaats van hun handel op Rusland, zij genoten tot aan de stichting van St. Petersburg groote voorrechten.

Witte Zondag1, Dominica in albis of Quasimodo genitii is de naam van den Zondag vóór Paschen. Zie Quasimodo genitii.

Wittgenstein, Ludwig Adolph Peter, prins van Sayn-Wittgenstein-Ludwigsburg, een Russisch veldmaarschalk, geboren den 6den Januari 1769 te Njeshin, was een zoon van graaf Wittgenstein, die onder keizerin Elizabeth naar Rusland was gekomen. Hij onderscheidde zich in 1795 bij Dubjenka, Cholm, en Otwlenka, streed daarna in den Kaukasus, behoorde in 1805 te Austerlitz bij de voorhoede, nam in 1806 aan den Turkschen oorlog deel en vocht in 1807 bij Friedland. Na den Vrede van Tilsit verdedigde hij de streken, die Rusland in Finland bezet • haa. In 1812 streed hij bij de Duna tegen de Frani schen. Hij wierp de Franschen bij Kljastizi en bij i Golowtsjhizy, waar hij gewond werd, terug. Daarop

Sluiten