Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verdreef hij Saint Cyr uit Polozk en behaalde den 308'en October 1812 een overwinning bij Tsjasjniki. Hij bezette den 6den Januari 1813 Koningsbergen, den 10aen Maart Berlijn en werd na den dood van Koetoesow met het opperbevel over het leger van de Verbonden Mogendheden belast, tegen welke taak hij niet opgewassen bleek. Bij Groszgörschen en bij Bautzen leed hij de nederlaag, waarop hij het opperbevel neerlegde. Hij werd bevelhebber van het Russische korps in het Boheemsclie leger en streed bij Dresden en Leipzig; bij Bar-sur-Aube (7 Februari 1814) werd hij zwaar gewond. In 1818 werd hij lid van den Rijksraad, iti 1823 veldmaarschalk. Hij nam in 1828 deel aan den Turkschen veldtocht, doch moest in 1829 om gezondheidsredenen den krijgsdienst verlaten. In 1834 verleende de koning van Pruisen hem den vorstelijken titel. Hij overleed den Hden junj ^843 0p een rejs naar Lemberg.

Wittgenstein. Emil, prins, een Russisch luitenant-generaal, geboren te Darmstadt den 21stcn April 1824, trad in krijgsdienst in het groothertogdom Hessen, vergezelde in 184B prins Alexander van Hessen naar Kaukasië, nam er deel aan den strijd tegen de bergvolken, in 1848 aan den oorlog tegen de Denen, kwam vervolgens in Russischen dienst, werd adjudant van vorst Woronzow, streed tot 18B2 in Kaukasië en werd bij het uitbreken van den Oosterschen Oorlog inspecteur van de veldhospitalen. Later was hij belast met een kommando in KleinAzië. In 1862 werd hij aan grootvorst Conslantijn te Warschau toegevoegd en zag zich in 1866 gepensioneerd. Niettemin nam hij in het gevolg van den keizer deel aan den oorlog van 1877—1878 tegen de Turken. Hij overleed te Egern aan de Tegernsee den 16aen September 1878. Ook was hij werkzaam op letterkundig gebied; behalve „Gedichte" leverde hij: ,,Kavallerie-Skizzen"(1859) en „Deutschland in die Schranken I"(1860).

Wittich, Ludwig von, een Pruisisch generaal, geboren den October 1818 te Munster in Westfalen, ontving zijn opleiding bij het korps kadets, trad in 1835 als tweede luitenant in dienst, werd in 1844 adjudant bij de tweede divisie, in 1852 bij het algemeen kommando van het 6de korps, in 1857 majoor en in 1863 chef van den generalen staf van het 2de en in 1864 van het 5de armeekorps. Als kolonel onderscheidde hij zich in den oorlog van 1866, verkreeg de ridderorde pour le mérite en werd in 1868 generaal-majoor, waarna hij in 1870 deel nam aan de veldslagen bij Gravelotte en Noisseville. In September van dat jaar werd hij bevorderd tot luitenant-generaal. Tegenhet einde var|1872werdhijbenoemd tot commandant der 31ste divisie te Straatsburg, en nam in 1873 zijn ontslag. Hij overleed te Siede in October 1884. Hij schreef: „Aus meinem Tagebuch 1870—1871" (1872).

Wittichius. Christophorus, een Nederlandsch godgeleerde, geboren den 7aen October 1625 te Brieg in Silezië, studeerde eerst te Bremen en daarna te Leiden in de godgeleerdheid, werd in 1651 hoogleeraar in de wiskunde te Herborn, toen in de godgeleerdheid te Duisburg, vervolgens te Nijmegen en in 1671 te Leiden, waar hij den 19den Mei 1687 overleed. Van zijn geschriften vermelden wij: „Disputationes theologicae" (1636), „Disputationes de fundamento religionis" (1663), „Exercitationes theologicae"(1682), „Investigatio epistolae Pauli ad Romanos"(1685), „Annotationes in Cartesii meditatio-

nes"(1688),„Theologiapacifica"(1671)en„Investiganes"(1688), „Theologica pacifica"(1671) en „Investigatio epistolae Pauli ad Hebraeos"(1691).

Wittig-. Hermann, een Duitsch beeldhouwer, geboren te Berlijn den 26stC11 Mei 1819, studeerde aan de Academie aldaar onder leiding van F. Tieck en van 1846—1848 te Rome. Tot zijn meest bekende werken behooren de meer dan levensgroote standbeelden van Flora en Pomona in de oranjerie te Potsdam, een levensgroote Victoria in een park te Breslau, een Engel des Vredes op het Drievuldigheidskerkhof te Berlijn, verder een aantal groepen en statuetten, zooals een Najade, een Wijngaardenierster,. Jakob en Rachel en Venus en Amor. Tot zijn portretbusten behooren die van Luduig Tieck, Ilnesébeck, Patkul en Müffling. Zijn ontwerp voor een Christuskop voor de kapel van het kasteel Rheineck ontving den prijs. Zijn talent voor figuurlijke ornamentiek en monumentaal beeldhouwwerk blijkt in de gevelvelden voor den stadsschouwburg te Riga en te Leipzig en voor het nationaal museum te Berlijn, door de Urania in het universiteitsgebouw te Koningsbergen en door het standbeeld van Descartes te Boeda-Pest. Hij overleed te Berlijn denl4aen Februari 1899.

Wittig1, August, een Duitsch beeldhouwer, geboren te Meiszen den 22sten Maart 1826, vertrok in 1843 naar Dresden, waar hij de Academie bezocht en een leerling van Rietschei werd. Zijn groep: „Siegfrieds afscheid van Chriemhild" bezorgde hem in 1848 het Saksisch reisstipendium, waarna hij zich eerst naar Florence en vervolgens naar Rome begaf. Hier ontstonden de groep: „Charitas" en de reliefs: „Ganymedes, den adelaar van Zeus te drinken gevend" en „Hebe, de pauwen van Here voederend", beide voor een eetzaal bestemd, alsmede „Lorelei", een „Jager", en het reliëf: „De graflegging van Christus". In 1864 werd hij hoogleeraar in de beeldhouwkunst aan de Academie te Düsseldorf. In 1865 , werd hem opgedragen, voor het nationaal museum te Berlijn de reeds te Rome ontworpen groep: „Hagar en Ismaël" in marmer te beitelen. Hij voltooide dit werk in 1871 en werd daarvoor tot eerelid benoemd van de Academie te Carrara. Daarenboven vervaardigde hij de groote borstbeelden van Wilhelm von Schadow (1869 voor het Schadowplein te Düsseldorf), van Cornelius (1875 voor het nationaal museum te Berlijn) en onderscheiden andere borstbeelden in wit marmer. Voor het zuilenportaal van het oude museum te Berlijn vervaardigde hij een standbeeld van Carslens, voor de kunsthal te Düsseldorf twee karyatiden, voor de basilica te Trier de standbeelden van twee apostels. Hij overleed te Düsseldorf den 208ten Februari 1893.

Wittingau (in het Slavisch Trébori), een stad in het zuiden van Bohemen op de hoogvlakte van de Luschnitz, een zijrivier van de Moldau, en aan een spoorweg gelegen, wordt omringd door een aantal groote poelen en plassen. De stad telt (1900) 5467 inwoners. Het kasteel van de vorsten Von Schwarzenberg was voor den slag bij den Witten Berg het eigendom van de heeren Von Rosenberg. Het bevat het rijkste en belangrijkste archief van Bohemen. De hoofdkerk bezit enkele kostbare altaarstukken en behoorde vroeger aan het stift der Augustijner Koorheeren, dat in 1376 door het geslacht von Rosenberg aldaar werd gegrondvest. Later werd het afgeschaft, maar door keizer Ferdinand II

Sluiten