Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in 1631 hersteld, totdat het bij de kloosterhervorming onder keizer Josef II verviel. Een andere kerk, ten zuidwesten van de stad, bevat den familiegrafkelder van het vorstelijk Huis von Schwarzeriberg. Verder vindt men er een czechisch gymnasium, een kazerne, een rechtbank, nijverheid en handel. De plassen in de omgeving bevatten vroeger veel visch. In de löae eeuw werden zij door de heeren Von Roseriberg door groote dammen, die met eiken werden beplant, omgeven, en door kanalen onderling verbonden. Ofschoon vele plassen later drooggemaakt zijn, vindt men er thans nog 613 met een oppervlakte van 76,6 v. km., waarvan de grootste, de Rosenberger plas, een oppervlakte heeft van 6,3 v. km.

1 Wittmack. Ludmg, een Duitsch plantkundige, geboren te Hamburg den 26sten September 1839, studeerde in de natuurkundige wetenschappen te Jena en te Berlijn, promoveerde te Göttingen en vertrok vervolgens naar Parijs, om aldaar zijn studiën voort te zetten. Hier werd hij lid der jury op de Wereldtentoonstelling en ontving den last, om aankoopen te doen ten behoeve van een te Berlijn te stichten landbouwmuseum. Hij werd vervolgens benoemd tot custor van dat museum. In 1874 vestigde hij zich als privaatdocent aan de universiteit en aanvaardde er in 1880 een buitengewoon professoraat. In 1875 werd hij leeraar aan het landbouwkundig instituut, in 1881 aan de hoogeschool voor den landbouw, die uit de vereeniging van het landbouwkundig instituut met het museum ontstond. Van 1875— 1905 was hij ook algemeen secretaris van de vereeniging tot bevordering van den tuinbouw in de Pruisische staten, waarvan hij het orgaan redigeerde. In 1879 werd hij leeraar in de plantkunde aan de hoogeschool voor veeartsenijkunde, in 1905 leeraar in de kennis der zaden aan de tuinbouwschool te Dahlen. Van 1899—1907 stond hij aan het hoofd van het proefstation van de vereeniging van Duitsche mulders. Hij bewerkte de marcgraviaceeën en de rhizoboleeën voor de „Flora brasiliensis," de bromiliaceeën voor de „Natürliche Pflanzenfamilien" van Engler-Prant en schreef o. a. „Gras- und Kleesamen" (1873), „Beitrage zur Fischereistatistik des Deutschen Reichs"(1875), „Anleitung zur Erkennung organischer und unorganischer Beimengungen im Roggen- und Weizenmehl"(1884), „Führer durch die vegetabilische Ableitung des Museums der landwirtschaftlichen Hochschule"(1886) en „Botanik der Wiesenpfianzen" (in „Grundlehren der Kulturtechnik"). Voor de „Anleitungen zu wissenschaftlichen Beobachtungen auf Reisen" van Neumayer bewerkte hij de landbouwplanten, verder gaf hij den 3aen druk van de „Illustrierter Gartenbaulexxkon" van Rümpler uit (1902).

Wittrock, Veil Brecher, een Zweedsch plantkundige, geboren den 5den Mei 1839 in het kerspel van Holms in Alfsborgs lan, studeerde sedert 1857 te Upsala, werd in 1866 leeraar in de plantkunde, in 1878 buitengewoon hoogleeraar en was van 1879— 1904 intendant van de plantkundige verzamelingen van het rijksmuseum voor natuurlijke historie te Stockholm. Van 1886—1891 ordende hij de verzamelingen van den Bergiaanschen plantentuin bij Stockholm. In 1890 werd hij redacteur van de „Acata Horti Bergiani", waarin ook de „Catalogus Illustratus Iconothecae Botanicae Horti Bergiani Stockholmiensis" (1903) is opgenomen. Hij schreef

o. a.: „Försök till en monografi öfver algslagtet Monostroma"(1866), „Algologiska studier"(1867), „Om fanerogam och thallogamvegetationen i Skandinavitens Ilex-region"(1868), „Anteckningar om Skandinaviens Desmidiacéer"(1869), „Dispositio Oedogoniacearum svecicarum"(1870), „Om Gotlands och ölands sötvattensalger"(1872), „On the development and systematic arrangement of the Pithophoraceae, a new order of Algae"(1877), „Om Hirnaea borealis"(1878—1879), „Om snöns och isens flora" (1883), „Om Binuclearia"(1886), „Skandinaviens Gymnospermer" (1887), „Linaria Reverchonii" (1891), „Biologiska ormbunkstudier"(1891), „Om den högre epifijtvegetationen i Sverige"(1895), „Viola-studier"(1895—-1897), „Erythraeae"(1884r— 1890) en „Algae aguae dulcis"(1877—1903).

Wittstock, een stad in het Pruisisch distrikt Potsdam, ligt aan de Dosse aan 2 spoorwegen, is de zetel van een rechtbank, heeft overblijfselen van oude muren en van een oud slot, 2 Protestantsche kerken, een stadhuis, een oorlogsmonument, een landbouwschool, een gymnasium, een tehuis voor armen en zieken en telt (1905) 7574 inwoners. Er is veel nijverheid. Hier behaalden den 4d™ October 1636 de Zweden onder Banér een overwinning op de Oostenrijkers onder Hatzfeld en op de Saksen onder keurvorst Johann Georg I.

Wituland, een distrikt in de provincie Tanaland in Britsch-Oost-Afrika, heeft een oppervlakte van 3100 v. km. en telt 16 342 inwoners. De lage golvende bodem bestaat uit koraalkalk en lateriet met een dikke humuslaag. Ook vindt men er zandduinen en dichte bosschen. De voornaamste uitvoerprodukten zijn ivoor en caoutchouc. Verder worden er bataten, rijst, ananas, maniok, tabak, kokospalmen en mangoboomen verbouwd. In 1885 plaatste sultan Sirtiba zich op aansporing van de gebroeders Denhardt onder bescherming van Duitschland; in 1886 werd de Duitsche Wituvereeniging gesticht. Duitschland stond in 1890 Witu aan Engeland af, aanvankelijk kwam het onder bestuur van de BritschOost-Afrikaansche vereeniging, in 1893 van de Engelsche regeering.

Witvisch is de verzamelnaam voor de eigenlijke Voornsoorten. Zie Karpervisschen.

Witwatersrand, ook Rand genaamd, een heuvelrug ter hoogte van 1800 m., loopt in het Z. van Transvaal van Malmani in het W. tot in de streek ten O. van Johannesburg. Hij bestaat uit leisteen en graniet; aan den Z. voet liggen de goudvelden van Johannesburg, in 1885 ontdekt, maar eerst sedert 1887 op groote schaal ontgonnen.

Het gelijknamige distrikt, na den oorlog gevormd, behoorde vroeger tot Heidelberg en telt (1904) 260 388 inwoners, waaronder 116 670 Blanken. Na den laatsten oorlog werden door de regeering veel Chineezen als arbeiders ingevoerd.

Witzleben. Karl August Friedrich von, een Duitsch novellist, bekend onder het pseidoniem A. von Tromlitz, geboren den 27sten Maart 1773 op het landgoed Tromlitz in Thuringen, trad in 1786 in Pruisischen krijgsdienst en nam van 1792—1795 als officier aan de veldtochten aan den Rijn deel. In 1806 bevond hij zich als eerste luitenant in het hoofdkwartier van den hertog van Bronswijk, begaf zich in 1811 aan het hoofd van een door hem gevormd regiment lanciers naar Spanje, in 1812 naar Duitscliland._Hij trad in 1813 in Russischen dienst

Sluiten