Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ontving als kolonel het kommando over liet ; Hanseatisch legioen. Na den vrede leefde hij op zijn landgoed Beuchiltz bij Halle, sedert 1821 te Berlijn en sedert 1826 te Dresden, waar hij den 5den Juni 1839 overleed. Zijn vroeger veel gelezen novellen en vertellingen verschenen als „Samtliche Schriften" in 3 verzamelingen (108 dln., 1829—1843).

Witzleben, Jol Wilhelm Karl Ernst von, een Pruisisch minister van oorlog, geboren te Halberstadt den 20sten Juli 1783, werd in 1799 als vaandrig bij de garde geplaatst, ontving in 1802 het brevet van officier, werd in 1806 bij de capitulatie van Erfurt krijgsgevangen, doch in 1807 uitgewisseld, en in 1808 tot kapitein bij den staf van een bataljon jagers bevorderd. In 1812 werd hij majoor en onderscheidde zich bij verschillende gelegenheden. In 1815 kwam hij bij den generalen staf van Blücher, werd daarna als kolonel en chef van den generalen staf bij het Noord-Duitsche Bondskorps geplaatst, bestuurde de belegering van Sedan, Mézières en Montmedy en werd vervolgens belast met het burgerlijk beheer in het departement der Ardennen. Ka zijn terugkeer in het vaderland voltooide hij de aan hem opgedragen organisatie der jagers en scherpschutters. In 1817 werd hij voorzitter van de militaire commissie, in 1818 generaal-majoor en adjudantgeneraal van den koning, in 1831 luitenant-generaal en in 1833 minister van Oorlog. Ofschoon hij reeds in 1835 om gezondheidsredenen zijn ontslag moest nemen, heeft hij een aantal dingen tot stand gebracht, zooals scholen voor onderofficieren en inrichtingen voor cadetten. Verder vereenigde hij de linietroepen met de landweer.

Witzleben, August von, een Duitsch krijgsman, een zoon van den voorgaande, geboren te Düsseldorf den 27sten December 1808, trad in 1825 in dienst bij het Pruisische grenadierregiment Kaiser Franz, werd in 1827 officier, zag zich van 1838 tot 1840 geplaatst bij het topografisch bureau en nam in 1848 en in 1864 deel aan de veldtochten tegen Denemarken. In 1866 werd hij commandant van Kolberg. Nadat hij in 1868 als luitenant-generaal was gepensioneerd, belastte hij zich in 1873 met de redactie van het „Militar Wochenblatt". Hij overleed te Berlijn den 7den Mei 1880. Van zijn talrijke geschriften vermelden wij: „Heerwesan und Infanteriedianst" (1845; 15<le druk, 1879), „Aus alten Parolebefehlen" (1851), „Deutschlands Jlilitarliteratur im letzten Jahrzehnt"(1850), „Arthur, Herzog vonWellington" (1853), ,,Der "Wasunger Krieg" (1855), „Prinz Friedrich Josias von Sachsen-Koburg Saalfeld ' (3 dln. met atlas, 1859), „Fehrbellin" (met Hassel, 1875) en ,,Des Fürsten Leopold von Anhalt-Dessau Jugendund Lehrjahre" (1881 en 1889).

Wjasemsklj. Peter Andrejewitsj, vorst, een Russisch schrijver, geboren te Ostafjewo bij Moskou den 238ten (12den) Juli 1792, studeerde aan de universiteit te Moskou en ontving daarna een aanstelling bij het ministerie van Financiën. Hij was van 1855 tot 1858 adjunct van den minister van Onderwijs, werd vervolgens lid van den Staatsraad en honorair opperschenker aan het Hof en overleed te Baden-Baden den 22Bten (10den) November 1878. Zijn dichterlijke, kritische en literair-historische werken hebben veel waarde. Wjasemskij was zeer bevriend met Poesjkin. Ook stond hij in briefwisseling met de meest bekende persoonlijkheden van zijn tijd, zoodat zijn brieven, die na zijn dood achtereenvol¬

gens in het licht verschijnen, voor de kennis van zijn tijd van veel waarde zijn. Zijn verzamelde werken werden uitgegeven door graaf Scheremetjew (12 dln., 1878—1896).

Wjasma, een stad in het Russisch gouvernement Smolensk, aan de rivier de Wjasma on aan 3 spoorwegen, bezit 17 kerken, een nonnen- en een monnikenklooster, een gymnasium voor jongens en een voor meisjes, een kweekschool voor onderwijzers, een bekende bakkerij van peperkoek, leerlooierijen, olieslagerijen, een levendigen handel in vlas en (1900) 19 998 inwoners. Gedurende nagenoeg de geheele 15de eeuw behoorde deze stad aan Litauen, verviel bij den aanvang der 17de eeuw aan Polen en werd na het sluiten van den vrede tusschen Rusland en Polen (1637) weder met Rusland vereenigd. Toen de Russen er den 3den November 1812 onder Miloradowitsj een overwinning behaalden op de Franschen, werden in deze stad vele fabrieken en 1 064 huizen verbrand.

Wjatka, een Russisch gouvernement, door de gouvernementen Wologda, Perm, Oefa, Kasan, Nisjnij-Nowgorod en Kostroma omgeven, heeft een oppervlakte van 153 658 v.km. en bestaat uit elf arrondissementen. De bodem is met lage heuvels bedekt, die van het Z.W. naar het N.O. in hoogte toenemen en in de Sunsky Peregon een hoogte van 420 m. bereiken. In het noordelijk gedeelte heeft men veengronden en elders zwarte aarde. De bodem bestaat uit mergel, leisteen en kalksteen der Permsche vorming, tot de delfstoffen behooren bruin moerasijzererts, kalksteen, molensteen, gips, in het arrondissement Slobodskoi magneetsteen, terwijl men in het arrondissement Jelaboega zwavelbronnen aantreft. De rivieren behooren, behalve de Sysola, die in de Dwina uitmondt, tot het stroomgebied van de Kama en de Wjatka. Van den bodem wordt 30,7 % door bouwland, 54,9 % door bosch 7 % door wei- en hooiland en 7,4 % door woeste gronden ingenomen. Het drie vierde deel van de bosschen behoort aan den staat. Het klimaat is guur en koud, de gemiddelde jaarlijksche temperatuur te Wjatka bedraagt + 1,7° C. De bevolking bedraagt 3 030 831, voor het grootste deel Russen, verder Tsjeremissen, Tataren en eenige duizenden Teptjaren, Bessermjanen, Permjacken en Basjkiren. Behalve de Grieksch-Katholieken(95,3%) belijdt 4,2% van de bevolking den Islam, terwijl het aantal heidenen 0,36 % bedraagt. Het voornaamste middel van bestaan is landbouw, vooral van tarwe, rogge haver, gerst, aardappelen, spelt, boekweit, erwten en vlas. De paardenfokkerij, die vroeger zeer belangrijk was, is thans van minder belang. In sommige distrikten worden veel bijen gehouden. Belangrijke middelen van bestaan zijn ook de jacht en de metaalsmelterij. Bij de nijverheid neemt de ijzerindustrie de eerste plaats in; daarop volgt de leerlooierij, de chemische industrie en de brandewijnstokerij. Huisindustrie komt veel voor, vooral linnenweverij en het vervaardigen van houten voorwerpen, pelswerk, koperwerk enz. Uitgevoerd worden graan, vlas, lijnzaad, linnen, leer, hout, zout en huiden. De rivieren vormen de voornaamste verkeerswegen. De hoofdplaats is Wjatka.

Het gouvernement was vroeger bewoond door de Wjotaken en Tsjeremissen, maar tegen het einde der 12de eeuw vestigden zich aan den oever der Wjatka landverhuizers uit Nowgorod, veroverden Bolwanow (de hoofdstad der Wotjaken), verdrongen de

Sluiten