Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tussclien Keulen en Neuss, is bekend geworden door den aldaar geleverden veldslag van den 5den Juni 1288 tusschen hertog Jan van Brabant en Zivaert, aartsbisschop van Keulen. Hertog Jan, bijgestaan door de benden van Floris V, graaf van Holland, behaalde een glansrijke overwinning op den aartsbisschop, ondersteund door de Gelderschen onder Reinoud en den graaf van Luxemburg. Dientengevolge kwam Limburg voor goed onder de heerschappij van Brabant. Deze slag is beschreven door Jan van Heelu (zie Heelu).

Woermann, Karl, een Duitsch kunstkenner, geboren den 4"611 Juli 1844 te Hamburg, studeerde te Heidelberg, Berlijn, Göttingen en Kiel in de rechten, maar legde zich tevens toe op de kunstgeschiedenis. In 1867 verkreeg hij te Göttingen den graad van doctor in de rechten en vestigde zich als advocaat te Hamburg. Hij reisde vervolgens in Engeland, Frankrijk en Noord-Amerika, keerde in 1870 naar Heidelberg temg, werd er doctor in de philosofie, schreef een verhandeling: „Ueber den landschaftlichen Natursinn der Griechen und Romer" (1871), vestigde zich in 1871 als privaatdocent voor archaeologie en kunstgeschiedenis aan de universiteit te Heidelberg, deed een wetenschappelijke reis naar Italië en Griekenland en verzamelde aldaar bouwstoffen voor „Die Landschaft in der Kunst der alten Völker"(1876).Inhetzelfde jaar schreef hij:„Die antiken Odysseelandschaften vom Esquilinischen Hügel in Rom"(1875). In 1873 hield hij voorlezingen te Heidelberg en vanhier vertrok hij naar Diisseldorf als hoogleeraar in de kunstgeschiedenis aan de Academie voor Schoone Kunsten aldaar. Van 1878—1879 reisde hij weder door de voornaamste landen van Europa en deelde de ontvangen indrukken mede in zijn: „Kunst- und Naturskizze aus Nord- und Südeuropa" (1880). Hij bewerkte het eerste deel van de door Aljred Wolimann ontworpen: „Geschichte der Malerei" (1878) en voltooide na het overlijden van laatstgenoemde het werk (3 dln., 1878—1888). In 1882 werd hij directeur van het museum voor schilderijen te Dresden, in 1888 gaf hij van deze inrichting een wetenschappelijken catalogus uit (6de druk, 1905). Zijn voornaamste werk is „Geschichte der Kunst aller Zeiten und Völker" (3 dln., 1900—1911). Van zijn overige werken noemen wij nog: „Wissenschaftliches Verzeichnis der altern Gemalde der Galerie Weber in Hamburg" (1892), „Was uns die Kunstgeschichte lehrt" (4de druk, 1894) en „Handzeichnungen alter Meister im königlichen Kupferstichkabinet zu Dresden" (1890—1898). Hij schreef verder een aa tal gedichten en gaf o. a. de bundels „Aus der Natur und dem Geiste" (1870), „Neapel. Elegien und Oden" (1876), „Neue Gedichte" (1884), „Zu Zwei'n im Süden" (2de druk, 1893) en „Deutsche Herzen" (1896) uit. In 1910 nam hij zijn ontslag als directeur van het museum.

Woermann, Adolf, een Duitsch koopman, een broeder van den voorgaande, geboren te Hamburg den 10den December 1847, vertoefde sedert 1868 te Singapore, vertrok in 1869 naar Batavia, en keerde in 1870 over Voor-Indië, China, Japan en NoordAmerika naar Duitschland terug. Nadat hij van 1871—1872 de factorijen van zijn vader in Liberia had bezocht, werd hij in 1874 deelgenoot van de firma Karl Woermann-, in 1880 kwam hij met Edu} ard Bohlen en Ernst Barth aan het hoofd van de

zaak, waarna zich het verkeer met West-Afrika sterk ontwikkelde. In 1884 verwierf de firma, in vereeniging met het huis Janizen & Thormahlen te Hamburg, het mondingsgebied van de Kameroen, Bimbia en een aantal plaatsen aan de Biafrabaai, die zich onder bescherming van het Duitsche rijk stelden. In hetzelfde jaar werd de reederij WoermannLinie, die in 1882 ook met het rijksbrievenvervoer was belast, van de overige zaken van de firma Woermann gescheiden. De Woermann-Linie bezat in 1884 5 stoomschepen van 7500 registerton, in 1909 beschikte zij over 38 stoomschepen van 88 000 registerton. Zij houdt zich bezig met goederenvervoer en personenvervoer. Van 1884—1890 was Woermann lid van den Rijksdag, waar hij zich bij de nationaal-liberale partij aansloot en als een aanhanger van de koloniale politiek optrad. Ook was hij lid van den Kolonialen Raad. Hij overleed den 4den Mei 1911.

Woeste, Charles, een Belgisch staatsman, geboren den 26sten Februari 1837 te Brussel, studeerde in de rechten, ging in 1865 van den Protestantschen tot den R. Katholieken godsdienst over en vestigde zich spoedig daarop als advocaat in zijn geboortestad. In 1874 vaardigde het distrikt Aalst hem af naar de Kamer van volksvertegenwoordigers, waarvan hij verder onafgebroken lid was. Hier werd hij spoedig een der voornaamste woordvoerders van de Katholieke partij. In 1884 trad hij op als minister van Justitie en Eeredienst in het Kabinet Malou. Toen echter de nieuwe schoolwet op den meest hardnekkigen tegenstand bij liberalen en socialisten stiet, werden, op bijzonderen wensch van den koning, Woeste en Jacobs, de beide ministers, op wie men het meest gebeten was, uitgenoodigd om zich terug te trekken (26 October, 1884). Na dien tijd is hij de belangrijkste leider der clericalen in de Kamer, waar hij dikwijls deii doorslag gaf o.a. bij de schoolwet van 1911. Hij is een zeer beslist tegenstander van algemeenen dienstplicht en een voorstander van evenredige vertegenwoordiging. In 1891 werd hem de titel van minister van staat verleend. Hij schreef: „Vingt ans de polémique" (1885), „La France et la neutralité beige" (1891), „A travers dix années 1885—1894" (2 dln., 1895), „Echos des luttes contemporaines, 1895— 1905" (1905).

Woestijn, een uitgebreide, meestal vlakke landstreek, die wegens waterarmoede een zeer schralen plantengroei bezit en dientengevolge onbewoonbaar is, bestaat, wat de bodemgesteldheid aangaat, veelal uit steenachtige massa's of is met kiezelachtig, ten deele ook met zeer beweeglijk stuifzand bedekt; ook keukenzout- en kalihoudend zand komt als bedekking voor. In verband daarmede onderscheidt men s t e e n- of r o t s-, k i e z e 1of grint-, zand- en z o u t 'w o e s t ij n e n. Zandwoestijnen komen het veelvuldigst voor. Het zijn, althans wanneer zij een grootere uitgebreidheid beslaan, geen eenvormige vlakten. Integendeel vertoonen zij in vorm en bedekking der oppervlakte velerlei afwisseling: klippen en heuvelruggen, welke soms, zooals in de Sahara, tot werkelijke gebergten omhoog rijzen, kloven en spleten, rivierdalen en bekkens van meren, ofschoon in het warme jaargetijde meestal droog, worden er aangetroffen. Op sommige plaatsen in de woestijn bevinden zich oasen, welke ontstaan op laag gelegen plekken

Sluiten