Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rondom bronnen en dikwijls daardoor een frissclien en weelderigen plantengroei bezitten. Zij vormen de eenige plekken, waar de mensch bij voortduring leven kan. Een bepaalde groepeering der woestijnen is niet aan te toonen. Afrika en Azië bezitten de uitgebreidste woestijngebieden. Een reusachtige woestijngordel loopt van den Atlautischen Oceaan in een langen, naar het N. geopenden, boog ter lengte van bijna 15 000 km. met slechts geringe onderbrekingen tot aan den uitersten O.iijken rand van Centraal-Azië. Daartoe behooren de Afrikaansche Sahara, de grootste van alle woestijnen. In het W. (Sahel) is zij voornamelijk zand-, in het O. (Libysche Woestijn) steenwoestijn. Aan de overzijde van het Kanaal van Suez zet zij zich voort in de woestijn van Steenachtig Arabië met het Sinaï Schiereiland en de zandwoestijnen Nefoed en Roba el Chali in het Z. van het Arabische Schiereiland; verder N. waarts heeft men de Syrische Woestijn. Aan de andere zijde van de Perzische Golf en de bergterrassen van West-Iran ligt de bergvlakte van Iran, de zout- en kalirijke woestijnen van Ira-Adsjmi van Kirman, van Seïstan en van Mekran, die geheel Perzië van de Kaspische tot de Indische Zee doorsnijden. Aan gene zijde van den Indus ligt de woestijn van Sind (Thar of Thoer), ten N. van Perzië bevinden zich de zandwoestijnen van Toeran, aan gene zijde van het Alpenland van Turkestan ligt het gedeeltelijk zand-, gedeeltelijk steenachtig woestijnhoogland Gobi, de O.lijke vleugel van den woestijngordel der Oude Wereld. In Z.Amerika treft men de zandwoestijn of desierto van Atacama en de groote zandvlakten (Campos dos Parecis) in de Braziliaansche provincie Mato Grosso aan; in N.Amerika bevindt zich het uitgestrekte bekken van het Groote Zoutmeer in den staat Utah. Australië bezit in het binnenland van het vastland eveneens waterlooze woestijnen; in Europa komen zij daarentegen niet voor.

Regelmatige neerslag ontbreekt in de woestijn geheel; slechts zelden vallen er korte stortregens. Deze werken in korten tijd sterk erodeerend, vooral daar de verschillende lagen door gebrek aan leem onderling slechts los samenhangen. Het verweeren der gesteenten wordt vooral bevorderd door de temperatuurverschillen, welke in de woestijn voorkomen. Door de droogte van den atmosfeer, het gebrek aan humus en het ontbreken van een plantenkleed doen zij hun vollen invloed op den rotsbodem gelden. Een gevolg daarvan is het springen der rotsen en het afbladeren der gesteenten (desquamatie). Scheikundige omzetting daarentegen, welke afhankelijk is van een voldoenden vochtigheidstoestand, speelt bij het verweeren van woestijngesteenten geen belangrijke rol. Van veel belang daarentegen is de werking van den wind, zoowel bij het transport van de fragmenten der gesteenten (deflatie), alsmede doordat hij de opeenhooping van deze voorkomt, waardoor hij aan de verweerende invloeden steeds nieuwe aangrijpingspunten levert. Bovendien slijpen de winden, met zand beladen, de rotsen af (corrasie).

Woestljne, Henri Pierre van de, genaamd Ivan de, een Frausch letterkundige van Belgische afkomst, geboren te Ixellcs i ï 1834, was van 1853— 1863 en van 1870—1871 officier bij de artillerie. Hij trad als schrijver voor het eerst in 1865 op in de „Figaro" en bleef tot 1894 oorlogscorrespondent. Van

zijn romans noemen wij: „Les voleurs de nègres" (1869), „Le veuvage de Frou-Frou"(1869) en ,,L' Hötel Sai t-Phar" (1869), van zijn tooneelstukken: „Le Zouave guérisseur"(1868), „Muguette" en (met Gilles en Busnach) „Robert Macaire"(1877). Verder schreef hij werken van geschiedkundigen aard, zooals „Madame en Vendée"(1877), „Voyage au pays des bachi-bouzoucks"(1877) en „La guerre russoturque en 1877"(1903). Hij overleed in 1904 te Pau.

Woestljne, Iiarel van de, een Belgisch letterkundige, werd den 10den Maart 1878 te Gent geboren, studeerde op het atheneum en op de hoogeschool aldaar, liet de philologie varen, vestigde zich te St. Martens-Laethem aan de Leie en hield zich hier uitsluitend met de beoefening der letterkunde bezig. Na zijn huwelijk ging hij te Brussel wonen als correspondent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Samen met Stijn Streuvels en Victor de Meyere gaf hij uit „Werk", waarin zijn dramatische zang „Kronos" voorkomt. Hij werkte mede aan de voornaamste Nederlandsche periodieken, was mederedacteur van het tijdschrift „Vlaanderen" en liet in boekvorm verschijnen: „De Vlaamsche Primitieven, hoe ze waren te Brugge" (Ned. Boekh. Antwerpen, 1903), „Het Vaderhuis, gedichten" (Veen, Amsterdam, 1903), „Verzen", waarin „Het Vaderhuis", de „Boomgaard der vogelen en der vruchten" en vroegere gedichten (Van Dishoeck, Bussum, 1895), de bundel vertellingen „Janus met het dubbele voorhoofd" (Van Dishoeck, Bussum, 1908), „De gulden Schaduw",waarin „De rei der maanden", „Het huis van den dichter, poëmata" (Van Dishoeck, Bussum, 1910) en het prozaboek „Afwijkingen" (id. 1910).

Woestijnplanten noemt men de planten, welke voornamelijk voorkomen in regenarme streken, met name in de tropische zone, en die, evenals de stepp- nplanten, voorzien zijn van organen, welke haar tegen uitdrogen beschermen. De plantengroei van de woestijn leert de uiterste grens kennen, waarbinnen het plantaardig leven onder den invloed van het grootste gebrek aan regen en van droogte der lucht nog bestaan kan. Dikwijls treden de planten slechts sporadisch en in ver van elkander verwijderde groepen op. De wasdom is dwergachtig en heeft een duidelijk xerofiel karakter; de kleur is hoofdzakelijk grijsgroen. Daar de regen in het algemeen slechts gedurende eenige maanden valt, bepalen een groot aantal woestijnplanten haar groei uitsluitend tot den regentijd. Ilaar wortels zijn dikwijb kort; na den regentijd sterft dan de plant geheel af. De overjarige daarentegen, bijv. Calligonum comosum, hebben buitengewoon lange wortels, welke vaak meters diep i:i den grond dringen. Andere, zooals Reaumuria hirtella, bezitten organen om gedurende de vochtige uren van den nacht water uit de atmosfeer op te nemen. Zij scheiden daartoe op de bladeren hygroskopische zouten af. Weder andere kunnen doormiddel van haarvormige organen des nachts rechtstreeks den neergeslagen dauw opnemen. Tegen het gevaar van overmatige verdamping zijn sommige woestijnplanten, bijv. Relawa Raetam, beschermd door vermi deri g van het verdampend oppervlak. Ook de afscheidi g van aetherische oliën schijnt bij verschillende soorten tot dit doel te dienen. De bestuivi gsrnog* lijkheid der woestijnplanten is niet zóó geri g als men wel heeft aangenomen. De verspr idi g der zaden heeft plaats door den wind, zooals bij Aristida, of door dieren, zooals bij Forskalia-, •

XVI

15

Sluiten