Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij de Jerichoroos (Anastatica hierochontica) rollen in de periode van droogte de takken zich bolvormig op. Bij de eerste regenbui breiden zij zich weer uit en leggen de opgeborgen zaden bloot. Andere planten, bijv. Fagonia en zygophyllum, hebben zaaddoozen, welke zich niet door uitdrogen, maar itegendeel door weeken in den regentijd openen. Bij sommige woestijnplanten komen groote en fraai gekleurde bloemen voor. Sedert eenige jaren bevindt zich in de woestijn van Arizona een laboratorium, waar men zich uitsluitend met de studie der woestijnplanten bezig houdt.

Woetsjang, de hoofdstad van de Chineesche provincie Hoepe, ligt aan de Jarg-tse-kiang, waarin hier de Han-kiang uitmondt, tegenover de verdragshaven Hankou en de stad Hanyang. Woetsjang is de zetel van den gouverneur-generaal van Liarghoe. Het aartal inwoners bedraagt ongeveer 500 000.

Woetsjoufoe (Oetsjou), een plaats in de Z. Chineesche provincie Kwang-si, ligt op den linkerover van den Sikiang, beneden de vereenigirg van deze rivier met den Kweikiang. De plaats, welke door groote stoomschepen bereikt kan worden, is sedert 1879 voor den vreemden handel geopend. Ingevoerd worden voornamelijk katoenen stoffen en petroleum (1905: 7 455 571 ta^ls); uitgevoerd oliën, essencen, huiden, leder, gevogelte en vee (1905: 2 893 970 taels). Woetsjoufoe heeft 65 000 inwoners.

Wog-num, een gemeente in de provincie NoordHolla d, 1663 H. A. groot met (1910) 1758 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten Hoorn, Zwaag, Nibbixwoud, Sybekarspel, Spanbroek en Berkhout. De bodem bestaat uit zeeklei en eenig alluviaal zand. Veeteelt en lardbouw zijn de voornaamste middelen van bestaan. Tot de gemeente behooren de dorpen Wognum en Wadwaai, een deel van de buurt Zwaagdijk en de gehuchten Noordermeer, De Leek en Zomerdijk.

Het dorp Wognum wordt in een oorkonde van 1063 als Woggunglien vermeld. Het bezit een Roomsch-Katholieke kerk, een Hervormde kerk en tezamen met Nibbixwoud een station van het spoorwegvak Hoorn—Medemblik. Beroemd is in de laatste jaren het Wognummer zangkoor „Jacob Kwast" geworden.

Wog-oelen is de naam van een jagersvolk in O. Europa en Siberië, behoorende tot de Oegriërsen verwant met de Ostjaken; met dezen noemen zij zich M a n j s i. Zij wonen voornamelijk aan de Konda, maar komen O.waarts ook voor tot aan de Irstisj, de Tawda en de Toera, "W.waarts tot aan de Kama in de gouvernementen Perm en Tobolsk. N.waarts vindt men hen tot aan de Soswa en Z.waarts tot aan de Loswa en de Tsjoessowoja. Ahlquist schat hiln aantal in het geheel op 7000 zielen; üiWtc/irekent, dat er ongeveer 2000 in Europa wonen. Zij gaan in aantal steeds achteruit. Behalve de jacht en de visclivangst, oefenen zij een weinig landbouw, paarden- en rendierenteelt uit. Hun taal behoort tot de Firsch-Oegrische groep van den Oeral-Mtaïschen taalstam. Zij is het meest met het Ostjakisch verwant. Ofschoon reeds gedurende een eeuw tot het Christendom bekeerd, houden zij vast aan het Sjamanisme.

Wohlau (Wolau), vroeger een zelfstandig vorstendom in Neder-Silezië, telde op een oppervlakte van 1239 v. km. 78 000 inwoners, maar is thans verdeeld over de beide distrikten Steinau en Wohlau. Wohlau werd onder Koenraad X (f 1492) voor het

eerst een zelfstandig hertogdom, dat deze met ÖIs vereenigde. In 1586 kwam het in handen van Joliann Georg, tweeden zoon van hertog Georg II von Brieg, van wien het bij erfopvolging overging op zijn broeder Joachim Friedrich von Brieg-, diens kleinzoon, Christiaan, verkreeg het in 1639 en vereenigde het in 1664 met de hertogdommen Brieg en Liegnitz, waarmede het in 1675 aan Oostenrijk en in 1742 aan Pruisen kwam.

Wohlen, een fabrieksplaats in het Zwitsersche karton Aargau, ligt aan den spoorweg Aargau— Rothkreuz en telt (1900) 3256 inwoners. De plaats, welke een minerale bron (tegen rheumatiek, maagziekten enz.) bezit, is vooral bekend als middelpunt der stroovlechterij, sedert den aanvang der 19de eeuw door den godsdienstleeraar Anseltn Hediger ingevoerd.

Wöhler, Friedrich, een Duitsch scheikundige, geboren den 31Blen Juli 1800 te Eschersheim bij Frankfort a. d. Main, studeerde te Marburg in de medicijnen, daarna te Heidelberg ook in de schei- en delfstofkunde en was vervolgens gedurende een jaar werkzaam in het laboratorium van Berzelius te Stockholm. In 1824 vergezelde hij dezen en Brongniart op een geognostisch-mineralogische reis door Skardi ^avië en werd in 1825 benoemd tot leeraar en in 1827 tot professor aan de nijverheidsschool te Berlijn en in 1831 te Kassei. In Maart 1836 begaf hij zich als hoogleeraar in de geneeskunde, directeur van het chemisch irstituut en inspecteur-generaal der apotheken in Hannover naar Göttirgen. Reeds in 1827 en 1829 ontdekte hij het aluminium, beryllium en yttrium, en in dienzelfden tijd hield hij zich bezig met het cyanzuur en ontdekte niet alleen nieuwe cyanverbinditigen, maar ook het ontstaan van ureum uit cyanzure ammoniak, waardoor de grenzen der anorganische en organische schtikunde samensmolten. Zijn proeven met Liebig over de benzoylverbindingen vormen den aanvang van een rationeele behandeling der organische chemie en hadden een belangrijk aandeel aan de vorming van de theorie der radicalen en der substitutie. Met Liebig ontdekte hij ook onderscheidene derivaten van piszuur, de samenstelling van mellithzuur, de omzetting van amygdaline onder afscheiding van suiker, de bereiding van chroomrood enz. Van zijne overige onderzoekingen vermelden wij nog die over titanium-, wolframiumen kiezelverbindingen en de ontdekking van gekristalliseerd borium en silicium (met Saint Claire Deville). Van zijn hand verschenen o. a.: „Grundrisz der unorganischen Chemie"^"6 druk door Kopp, 1873), „Grundrisz der organischen Chemie"(lllle druk door Fittig, 1887), „Mineralanalyse in Beispielen"(2"e drnk, 1861) en „Praktische Uebungen der chemischen Analyse"(1854). Ook leverde hij een Duitsche bewerking van het „LehrbucliderChemie" van Berzelius (5de druk, 5 dln., 1843—1848), terwijl hij sedert 1838 met Liebig de „Annalen der Chemie und Pharmazie" redigeerde. Hij overleed den 23sten September 1882 te Göttingen. In 1890 werd aldaar een bronzen standbeeld te zijner eere onthuld.

Wohlg-emuth, Michaël, een Neurenberger schilder, geboren te Neurenberg in 1434, vestigde aldaar een schildersatelier, waarin o. a. ook Aïbrechl Dürer leerling was en waardoor hij het hoofd van de oudere Frankische school werd. Tot zijn voornaamste werken behooren 4 vleugels te Hof met voorstellingen uit het leven van Christus, het altaar in de o

*

Sluiten