Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mariakerk te Zwickau, met tafereelen uit de jeugd en het lijden van Christus en het altaar in de Heilige Kruiskapel te Neurenberg. Bovendien schilderde hij portretten en ontwierp hij teekeringen voor houtsneden, o. a. voor de „Weltchronik" van Schedel en den „Schatzbehalter" van Kóburger. Hij overleed den 30sten November 1519 te Neurenberg.

Wohlmuth, Alois, een Duitsch tooneelspeler en schrijver, geboren den 25sten Juni 1852 te Brünn, kreeg, na gedurerde largen tijd te hebben rondgetrokken, een verbinteris aan den hofschouwburg te Meiringen en later te Schwerin, waar hij voornamelijk karakterrollen vertolkte. TeMiinchen trad hij op als declamator en van 1880—1881 in den Thaliaschouwburg te New-York in blijspelen van Molière. In den zomer van 1881 gaf hij gastvoorstellingen te Weenen; later was hij gedurende drie jaren als eerste karakterspeler aan den hofschouwburg te Weimar verbonden. In 1886 girg hij over naar den hofschouwburg te München. Zijn voornaamste rollen, waarin hij zich als vertegenwoordiger van de realistische richting doet kennen, zijn: Richard III, Jago, Shylock, Marinelli, Nathan, Vansen en dorpsrechter Adam. Hij schreef o. a.: „Streifzüge eines deutschen Komödianten"(3de druk, 1891), „NewYorkerKunstund Straszenbilder"(1883), „Reisemomente und Erinnerungen" (1884), „Urgeschminkt, auto-biographische Skizzen"(1890), ,,Ferientraume"(1891), een bundel gedichten, „Hans Schreier, der grosze Mime" (2le druk, 1903), „Benedikt Brömel. Eine Lebensgeschichte"(1895), „Der Komödiant"(1897), een Romantisch tooneelspel, „Die kleine Residenz" (1904), een blijspel,, Groszstadtkehricht" (1904) en „Grdichte"(1901 en 1905).

Wohltmann, Ferdinand, een Duitsch landbouwkundige, geboren den 208ten October 1857 te Hitzacker a. d. Elbe, studeerde te Halle, Berlijn en Heidelberg, werd in 1886 assistent van Kühn te Halle, bezocht in 1888 W.-Afrika, Madeira en de Can arische eilanden en in 1889 Brazilië, studeerde daarna te Göttingen in de delfstofkunde en vestigde zich in 1891 te Halle als privaatdocent in de landbouwkunde. In 1892 werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleeraar te Breslau, in 1893 tot gewoon hoogleeraar te Bonn, waar onder zijn leiding het Instituut voor bodemkennis en plantenteelt verrees; in 1895 aanvaardde hij het hoogleeraarschap te Halle. Op verschillende reizen bezocht hij Kameroen (1896), Duitsch O. Afrika (1897—1898), Togo en Kameroen (1899—1900) en de Samoa-eilanden (1903). Van zijn hand verschenen o. a.: „Beitrag zur Prüfung und Vervollkommnung der exakten Versuchsmethode zur Lösung schwebender Pflanzen- und Bodenkulturfragen"(1886), „Handbuch der tropischen Agrikultur"(dl. 1,1892), „Lardwirtschaftliche Reisestudien über Chicago und Nordamerika"(1894), „Der Plantagebau in Kameroen und seine Zukunft"(1898) „Die Ziele und Erfolge der deutschen Kolonialpolitik und die Bestrebungen der deutschen Kolonialgesellschaft" (1897), „Deutsch-Ostafrika" (1896), „Das Nahrstoffkapital westdeutscher Böden"(1901), „Chilisalpeter oder Ammoniak"(2ae druk, 1902), „120 Kultur- und Vegetationsbilder aus unsern deutschen Koloniën" (1904), „Pflanzung und Siedehmg auf Samoa" (1904) en „Julius Kühn, sein Leben und Wirken"(met Holdefléisz, 1905).

Woiwode, letterlijk — legeraanvoerder, komt in de Slavische talen (Poolsch wojewoda, Servisch vo-

jevoda) in zijn oorspronkelijke, zoowel als in zijn geschiedkundige beteekenis overeen met het Nederlandsche „hertog". Oorspronkelijk n. 1. de titel, dien de aanvoerder, voor den duur van één krijgstocht gekozen, voerde, werd het later een dynastieke of persoonlijke titel, welke gegeven werd aan gekozen vorsten, bijv. aan die van Walachije en Moldavië vóór 1439, alsmede aan de gekozen opperste rijksbestuurders in Polen vóór den tijd der Piasten. Later gaf men hem in het voormalig koninkrijk Polen aan de stadhouders in de bestuursdistrikten, welke daarom woiwoedschappenwerden geheeten.Dewoiwoden waren aanvankelijk geen burgerlijke, maar militaire waardigheidsbekleders, die bij het uitbarsten van den strijd den adel moesten oproepen en in het veld brengen. Later werden zij ook met het burgerlijk bestuur belast. Daar zij tevens zitting en stem hadden in den senaat, werden zij ook senatoren genoemd. De naam woiwoedschap bleef totindennieuweren tijd in Russisch Polen in gebruik, maar is thans door dien van gouvernement vervangen. Tegenwoordig wordt deze titel alleen voor lioogere waardigheidsbekleeders, troepencommandanten enz. in Montenegro gebruikt. In Turkije is het de titel van een commissaris van politie.

Wojejkow, (Woeikoiv), Alexander, een Russisch weerkundige, geboren te Moskou den 20sten Mei 1842, studeerde te St. Petersburg, Heidelberg, Berlijn en Göttingen in de natuurwetenschappen, bereisde van 1868—1870 een groot gedeelte van Europa ten behoeve van weerkundige studiën, van 1873—1875 Amerika van Manitoba tot Rio de Janeiro en daarna, tot 1877, Voor-Indië, Java en Japan. In 1882 werd hij hoogleeraar in de natuurkundige aardrijkskunde te St. Petersburg. Van zijn hand verschenen o. a.: „Die atmospharische Circulation" (1874), „Die Klimate der Erde"(1887) en „Der Einflusz der Schneedecke auf Boden, Klima und Wetter"(1889). Ook werkte hij mede aan Krasznow's „Aardrijkskunde van Rusland" en KircKhoffs „Landerkunde von Europa"(1907).

Woking-, oen plaats in hetEngelsche graafschap Surrey, gelegen aan de Wey en aan den London and South-Westernspoorweg, heeft een vroeg-Gotische kerk, twee tuchthuizen en een tuchtschool voor jongens en telt (1901) 16 244 inwoners. In zijn nabijheid ligt de groote Woking nekropolis, een begraafplaats van Londen met een crematorium.

Wol, volgens Nathusius die dierlijke haren, welke zich „stapelen", d. i. op het lichaam van het dier door hun eigenaardige golving zulk een samenhangend geheel vormen, dat deze samenhang ook na het verbreken van het verband met het dier niet verloren gaat, is in het bijzonder de naam voor schapenhaar. De zelfstandigheid van de wol komt sterk overeen met die van de horens en klauwen.De volgende tabel geeft van de samenstelling een overzicht:

Soort.

Koolstof.

Waterstof.

Stikstof.

Zwavel.

Zuurstof.

Merino ») 50,687 7,012 17,870 2,441 21,900

Rambouillet2) . 50,46 7,37 15,73 3,69 24,00

*) Naar Hoflmann. 2) Naar Maerker.

Het soortelijk gewicht van zuivere, luchtdroge wol is 1,319. Kenmerkend voor de wol is de

Sluiten