Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kronkeling, de stapel, de fijnheid en de lengte. Het aantal kronkelingen loopt uiteen van 10—36 op 25 mm. De fijnheid, d. i. de dikte van het wolhaar, welke met den wolmeter wordt bepaald, bedraagt van 10—80 mikro mm. Tusschen deze beide bestaat een zeker verband. De lengte, waaronder men verstaat de lengte, welke het wolhaar in één jaar bereikt, is zeer verschillend. Zij ligt tusschen 36 en 550 mm. Verder komen nog in aanmerking de gelijkmatigheid van het wolhaar ten aanzien van sterkte en kronkeling, de rekbaarheid, welke bij fijne wol nog 30—40 en bij grove wol soms 40—50 % bedraagt, de elasticiteit en de vastheid, welke wordt bepaald in verband met de fijnheid en de andere eigenschappen. Om één enkel wolhaar te verscheuren is een kracht van 3—46 gr. noodig.

Wol is doorgaans wit, zelden grijs, bruin, zwart, geel- of roodachtig. Zij bezit een zekeren glans, die gewoonlijk het grootst is bij de soorten van gemiddelde fijnheid, verder een zekeren graad van zachtheid, inzonderheid die der electoraalschapen, die vaak bij grovere soorten aanzienlijker is dan bij fijnere. De eigenschappen van de wol zijn afhankelijk van het ras, het klimaat, alsmede van de voeding en de verzorging van het schaap. Vandaar dat men verschillende soorten onderscheidt. De landwol is meestal grof, weinig gekronkeld, droog en ruw. Merinowol is veel fijner, zij is veel en gelijkmatig gekronkeld, voelt zacht en vettig aan en leent zich voor de vervaardiging van fijnere stoffen. Kashmirwol is zacht en zijdeachtig cn levert een voortreffelijk materiaal. Kameelhaar wordt geleverd door de schaapkameelen van Z. Amerika. Hiertoe behooren de Vigevenowol, welke steeds zeldzamer wordt en de lamawol, waarvan sajet- en dekengarens gesponnen worden. Angorawol wordt geleverd door de Angorageit van Klein-Azië. Het daaruit gesponnen mohair (zie aldaar) dient ter vervaardigi: g van lustre stoffen (Zie verder het artikel Schaap).

In de techniek onderscheidt men twee klassen, namelijk strijkwol en kamwol. De strijkwol, kaardwol of'lakenwol di.'nt tot het vervaardigen van lakenachtige, gevolde stoffen. Hiertoe behooren alle gekronkelde wolsoorten, welke bij uittrekking een lengte hebben van minder dan 100 min. De natuurlijke kronkeling der wol bevordert de vervilting. Hoe korter de wolharen zijn, des te meer toppen komen in dezelfde hoeveelheid garen voor en des te gemakkelijker vervilt zich de wol in den volmolen. De kamwol daarentegen dient tot het vervaardigen van gladde wollen stoffen, waarbij de draden van het weefsel door geen viltbedekking verborgen worden, alsmede van breigaren. Zij moet een lengte van 120 —240 mm. hebben en geen of bijna geen kronkeli g.

Ruwe wol is zeer onzuiver. Behalve uit stof bestaat de verontreiaigi: g van de wol uit wolvet en uit de minof meer gedroogde huiduitscheidi genvan het dier, uit het wolzweet. Dit vormt een taai en vet smeer, gemengd met kali- en kalkzouten, cholesterine en dergelijke stoffen en is gedeeltelijk in water oplosbaar. Ter reiniging wordt de wol eerst op het schaap gewasschen, namelijk door middel van het zwemmen der schapen in een rivier, beek of vijver, door wasschen met de hand enz. Ruwe wol verliest door het wasschen met koud water 20—70, gewoonlijk 40—60 % aan gewicht. Is daarop de wol weder geheel droog geworden, dan wordt zij doorgaans op den derden daaraanvolgenden dag met een schapen-

schaar zoo dicht mogelijk bij de huid afgeschoren, waarbij men de vacht (het vlies) zoo veel doenlijk in zijn geheel laat blijven. De wol van de pooten, wangen en staart blijven van het vlies gescheiden en dragen den naam van stukken, en de grofharige gedeelten dien van lokken. In den regel worden de schapen elk jaar eenmaal (van midden Mei tot einde Juli) geschoren; in sommige streken echter worden langharige schapen tweemaal ,in het voorjaar en den herfst, geschoren. De wol, van levende dieren verkregen, noemt men scheerwol, om ze te onderscheiden van blootwol, van gestorven of geslachte schapen afkomstig, welke minder vast en elastisch is en bovendien slecht verf aanneemt. Looierwol wordt in de witlooierij' n en marokijnfabrieken door kalk van de vellen gescheiden en is, vooral met lange woldraden vermengd, zeer geschikt om te worden gesponnen. Het eenvoudig wasschen met water laat veel wolzweet achter. Tot het verwijderen daarvan dient het fabriekmatig wasschcn (ontvetten), hetzij met water van 60—75° C., hetzij met een zwak zeepwater (5— 15 kgr. zeep op 100 kgr. water), met een zwakke oplossing van potasch, soda of koolzure ammoniak of met verdunde en rottende urine. De gewasschen wol wordt ten slotte uitgespoeld en in een niet verwarmden luchtstroom gedroogd. In den laatsten tijd wordt dit alles verricht door machines, waarin het vet verzeept of geëmulsioneerd en daarna uitgewasschen wordt, terwijl ten slotte de wol gedroogd wordt.

De voornaamste landen, welke wol produceeren, zijn Australië, Argentinië, N.Amerika, Uruguay, Kaapland en Ruslard, vooral Z. Rusland. Een overzicht van de gemiddelde wolproductie in millioenen kgr. van de verschillende werelddeelen en van enkele Europeesche staten geeft onderstaande tabel:

Staat.

Werelddeel.

Europa.

Australië.

N.Amerika.

Z.Amerika.

Azië. Afrika.

400 220 160 180 90 70

Rusland .. 190

Engeland . 70

Frankrijk . 40

Spanje 25

Duitschland 20 OostenrijkHongarije 20

De gezamenlijke wereldproductie bedraagt per jaar ongeveer 1120 millioen kg. met een waarde van ongeveer 1350 millioen gld.

Ten slotte moet nog meldi g gemaakt worden van de zoogenaamde kunstwol. Bereid uit afgedragen kleederen, afval van spi ne- en weverijen, kleermakerijen enz., lompen enz. vult dit surrogaat het verschil tusschen wolproductie- en -verbruik aan. Zij wordt gebruikt ter vervaardiging van goedkoope stoffen, ofschoon daarbij prijs en kwaliteit in zeer ongunstige verhoudi g staan. Men onderscheidt Alpacca of extract, bereid uit halfwollen weefsels, shoddy en mungo (zie Shoddy en Mungo). Het ruwe materiaal wordt, al naar zijn aard, bewerking, kleur

Sluiten