Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op een beschermde plek in het bosch 3—9, gewoonlijk 4—6 jongen, die 21 dagen blind blijven, zich geheel en al gedragen als jonge honden, ia tijden van gevaar door hun moeder naar elders worden gesleept en in het derde jaar volwassen zijn. Met den hond brengt de wolf vruchtbare bastaarden voort. Jonge wolven kunnen zeer tam worden en leggen dan een ongemeene gehechtheid aan hun meester aan den dag. Men maakt jacht op den wolf om hem te verdelgen, maar ook om zijn pels. De huid wordt ook wel gelooid en tot handschoenen, trom- en paukenvellen enz. gebruikt. Het grove vbesch van den wolf wordt zelfs door den hond versmaad, maar gegeten door de Kalmukken en Toengoezen.

Wolf. Zie Spinnen.

Wolf, Joos de, een Vlaamsch schrijver, geboren in 1747 te Nazareth in Oost-Vlaanderen, werd in 1773 professor aan het Koninklijk Collage te Gent. Hij bewerkte een aantal vertalingen uit het Oude en Nieuwe Testament. Toen hij een vertaling van de „Ars amandi" van Ovidius wilde publiceeren, sloot men hem op als krankzinnig, maar hij ontsnapte en begaf zich naar het buitenland. Hij schreef: „Den geest der reden"(1777), „Den vreugd- en vruchtwekkenden theater van Apollo of invallende gedachten op den levensloop van den mensch"(1778), „Den goddelijken philosoph ofte minnaer der oprechte wijsheid"(1778), „Astraea, de waerheydzoekende dienstmaegd"(1778), „De herschepping van Ovidius"(1779), „Rouwzangen en brieven van den cllendigen balling Publius Ovidius Naso"(1780), „Historie van het Oud Testament"(1780), „Historie van het Nieuw Testament"(1780), „Invallende gedachte op verscheyde voorwerpen"(1780), „Leven der herderen door Virgilius" en „Ueren van uytspanninge of den wellust der velden". Jaar en plaats van zijn overlijden zijn onbekend.

Wolf, Friedericli August, een Duitscli oudheidkundige, de grondlegger van de nieuwere oudheidkunde, geboren den 15aen Februari 1759 te Haynrode bij Nordhaasen, studeerde te Göttingen in de letteren, werd in 1779 leeraar aan het paedagogium te Ilfeld en vestigde hier zijn naam door de uitgave van Plato's „Gastmaal"(1782, nieuwe druk door Stallbaum, 1828) met een inbiding en aanteekeningeu in de Duitsche taal. Nadat hij in 1782 de betrekking had aanvaard van rector der stadsschool te Osterode in den Harz, werd hij in 1783 benoemd tot hoogleeraar in de wijsbegeerte en opvoedkunde te Halle, waar hij sedert 1784 ook de welsprekendheid doceerde. Hier schreef hij zijn „Prolegomena ad Homerum sive de operum Homericorum prisca et genuina forma variisque mutationibus et probabili ratione emendande"(dl. 1,1795; nieuwe druk, 1859; met aanteekeningen van Becker, 2de druk, 1876), zijn hoofdwerk, waarin hij trachtte aan te toonen, dat de „Ilias" en „Odyssee" moeten opgevat worden niet als het werk van één dichter, maar van verschillende rhapsoden. Het vormde het uitgangspunt van de moderne critische richting in hot letterkundig onderzoek. De verklaring van onderscheiden geleerden, o. a. van Heyne, dat zij reeds lang dergelijke gedachten hadden gekoesterd, gaf aanleiding tot de geestige „Briefe an Heyne, eine Beilage zu den neuesten Untersuchungen über Homer"(1797), een voorbeeld van geleerde polemiek en fijne ironie. Nadat de lioogeschool te Halle door Napoleon was opgeheven, vestigde Wolf zich te Berlijn,

waar hij in 1809 gedurende korten tijd lid van de sectie voor openbaar onderwijs in het ministerie van Binnenlandsche Zaken was en deel nam aan de oprichting der nieuwe hoogeschool. Hij staakte echter zijn arbeid als gewoon hoogleeraar en behield als eerelid der academie enkel het recht van vrije voorlezingen. Tot herstal van zijn geschokte gezondheid ondernam hij in April 1824 een reis naar het Z. van Frankrijk. Van zijn bewerkingen noemen wij, behalve Plato's „Symposion": de „Theogonia" van Hesiodus (1783), de werken van Homeros (nieuwe bewerking, 2de druk, 4 dln., 1817), „Oratio adversus Leptinem" van Demosthenes (nieuwe druk door Bremi, 1831), „Lib 'lli quidam" van Lucianus (1791), „Historiae" van Herodianus (1792), „Quaestiones Tusculanae''^"6 druk, 1825), „Orationes quatuor" (1801) en „Pro Marcollo"(1802) van Cicero, „Phaedon"(1790) en „Dialogorum delectus"(1812, zonder Latijnsche vertaling, 2de druk, 1827) van Plato. Als voortreffelijk vertaler deed hij zich kennen in „Wolken"(1812) van Aristophanes en in de eerste „Satire" (1813) van Horatius. Van zijn andere werken vermelden wij: „Geschichte der römischen Literatur als Grundrisz" (1787), „Vermischte Schriften und Aufsatze"(1802), „Museum der Altertumswissenschaft" (met Butlmann, 2 dln., 1807—1810), „Museum antiquitatis studiorum"(2 dln., 1808—1811) en „Literarische Anelekten"(4 dln., 1817—1820). Hij overleed den 8Bten Augustus 1824 te Marseille. Na zijn dood verschenen: „Vorlesungen über die vier ersten Gesange von Homers Ilias"(door Usteri, 2 dln., 1830— 1831), zijn opmerki ïgen over de „Quaestiones Tusculanae" van Cicero (1829) en over het „Scutum Herculis" van Hesiodus(1840); verder: „Enzyklopadie der Philologie"(2ae druk, 1845), „Vorlesungen über die Enzyklopadie der Altertumswissenschaft"

(1831), „Darstellung der Altertumswissenschaft" (1833), „Consilia scholastica"(1829) en „Ideen über Erziehung, Schule und Universitat"(1835).

Wolf, Ferdinand, een Oostenrijksch romanist, geboren te Weenen den 8sten December 1796, studeerde te Graz in de wijsbegeerte en de rechten, werd later custos aan de Keizerlijke Hofboekerij en vervolgens bij de stichting der Academie van Wetenschappen te Weenen lid en secretaris van dat lichaam. Zijn onderzoekingen bewogen zich voornamelijk op het gebied der Spaansche en Portugeesche literatuurgeschiedenis. Van zijn geschriften vermelden wij: „Ueber die neuesten Leistungen der Franzosen für die Herausgabe ihrer National-Heldengedichte"(1833), „Die Sage vom Bruder Rausch"(met Endlicher, 1835), „Floresta de rimas modernas castellanas"(2 dln., 1837), „Ueber die Lais, Sequenzen und Leiche"(1841), „Rosa de romances"(1846), „Ueber eine Sammlung spanischer Romanzen in fliegenden Blattern auf der Universitatsbibliothek zu Prag"(1850), „Studiën zur Geschichte der spanischen und portugiesischen Nationalliteratur" (1859) en „Historie de la littérature brésilienne" (1863). Met C. Hof>mnn gaf hij een bundel oudSpaansche romances uit onder den titel „Primavera y flor de romances"(2 dln., 1856); verder schreef hij een aantal verhandelingen in de „Jahrbücher der Literatur", van welke sommige, zooals: „Beitrage zur Geschichte der kastilischen Nationalliteratur"

(1832), „Ueber altfranzösische Romanzen und Hofpoesie"(1834) en „Ueber die Romanzenpoesie der Spanier" (1847) ook afzonderlijk zijn uitgegeven, ter-

Sluiten