Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(3 dln., 1904). Van 1889—1904 redigeerde hij met Oskar Fleischer de „Sammelbande der Internationalen Musikgesellschaft", terwijl hij thans o. a., in opdracht van den „Verein für Nord Deutsehlands Musikgeschichte" een volledige uitgave van de werken van den Nederlandschen contrapuntist Jacobus Obrecht bezorgt.

Wolfaartsdijk, een gemeente in de provincie Zeeland, 2851 H. A. groot met (1910) 2309 inwoners, wordt in het N. en in het W. begrensd door de Zuidvliet en verder door de gemeenten Kattendijke en 's Heer Arendskerke. Op den vruchtbaren kleibodem wordt landbouw uitgeoefend. De gemeente bestaat uit verschillende polders, n.L den Oud-Sabbingepolder, Zuiderlandpolder, Oosterlandpolder, Ooster- Nieuwlandpolder, Heerenpolder, Westlandpolder, Westkerkepolder, NieuwSabbingepolder, Broeder- en Zusterpolder en Egbert-Petruspolder, en deelen van den Wilhelminapolder, den Perponcherpolder en den Schengepolder. Het dorp Oostkerke en de buurten Sabbinge en Oudekaai behooren tot de gemeente.

Wolfe, James, een Engelsch generaal, geboren den 2den Januari 1726 te Westerham in Kent, onderscheidde zich gedurende de veldtochten in de Nederlanden tegen de Franschen en klom op tot den rang van brigade-generaal. Toen na den Vrede van Aken (1748) een tijd van rust aanbrak, besteedde hij dien aan zijn wetenschappelijke vorming. In 1768 werd hij als brigade-generaal naar de N. Amerikaansche koloniën gezonden, waar hij in Juli van dat jaar niet weinig bijdroeg tot de verovering der Fransche vesting Louisbourg en van Cape Breton. In Juni 1759 voer hij met een sterke vloot en 8 000 man de St. Laurensrivier op, deed bij herhaling, maar met groot verlies een aanval op Quebec van de O. zijde, landde daarop in September onverwachts aan de W. zijde dier stad en noodzaakte den markies Montcalm, die haar verdedigde, tot een veldslag. Wolfe behaalde de overwinning, maar sneuvelde, door drie kogels getroffen, den 13den September 1759. Zijn stoffelijk overschot werd in de Westminsterabdij bijgezet.

Wolfenbüttel, een plaats in het hertogdom Brunswijk, gelegen aan den Oker en aan den spoorweg Jerxheim—Brunswijk, heeft 3 Protestantsche kerken, waaronder de Mariakerk met een groot orgel en sierlijke praalgraven, een R. Katholieke kerk, een synagoge, een oud vorstelijk residentieslot en een beroemde bibliotheek, waarvan ook Lessing bibliothecaris was, met 300 000 dln., waaronder 800 Bijbels, een groot aantal wiegedrukken en 10 000 handschriften, waarbij gedeelten uit de Gotische Bijbelvertaling van UlfUas. Voor het gebouw der bibliotheek bevindt zich een fontein met het standbeeld van haar stichter, hertog August. De stad bezit verder een gymnasium, seminaria voor predikanten, onderwijzers en onderwijzeressen, een hoogere burgerschool, een Joodsche middelbare school (Samsonschool), een opvoedingsgesticht voor meisjes, een weeshuis, een strafinrichting, een schouwburg, een ambachts- en een oudheidkundig museum. Zij telt (1905) 19083 inwoners. De nijverheid omvat vlas- en jutespinnerij, machinebouw, zeep-, leder-, tabak- en conservenbereiding, pannebakkerij, kalkbranderij enz. Belangrijk is ook de tuinbouw. De stad was vroeger omringd door vestingwerken en wallen; deze zijn later in

wandelplaatsen herschapen. Bij den burcht Wolfenbüttel, welke voor het eerst in 1118 vermeld wordt, ontstond sedert 1300 de stad Wolfenbüttel. Tot in het midden der 18ae eeuw was het de residentie van de hertogen van Brunswijk-Wolfenbüttel. In 1542 werd de stad door de Saksers en Hessen gebombardeerd en ingenomen, maar na den slag bij Mühlberg (1547) weder ontruimd. In den Dertigjarigen Oorlog behaalden bij Wolfenbüttel den 29Bten Juni 1641 de Zweden onder Wrangel en Königsmark de overwinning op de keizerlijke benden onder aartshertog Leopold. De plaats verloor aan beteek'nis, toen hertog Karei I in 1754 Brunswijk tot residentie verhief.

WolfersdorfF, Elise, vrijvrouwe van, een Duitsch romanschrijfster, geboren den 7aen Maart 1849 te Graudenz, woonde van af 1876 te Berlijn en vestigde zich in 1888 te Bayreuth. Op haar 18d0 jaar publiceerde zij den roman „Frauerliebe" (3de druk, 1901), waarna zij onder den schuilnaam Karl Berkoio door een lange reeks van werken naam gemaakt heeft. Van haar grootere, meestal geschiedkundige romans noemen wij: „Die wilde Rose" (2de druk, 1884), „Erstarrte Herzen" (2de druk, 1884), ,,An des Thrones Stufen" (2ae druk, 1888), „Vae Victis" (2de druk, 1886), „Fürstund Vasall" (1882), „Die Söhne Gustav Wasas" (1886), „Unter dem Kreuze" (1888), „Aus dunklen Tagen" (1888), „Am Hofe Lorenzos" (1891), „Heinrich Guise" (1893), „Schuldlos geopfert" (3 dln., 1896), „Kampferinnen" (1897) en „Der Schatten" (1904).

Wolff, Christian, vrijheer von, een Duitsch wijsgeer en wiskundige, geboren te Breslau den 24sten Januari 1679, vertrok in 1699 naar Jena, om in de theologie te studeeren, maar hield zich hoofdzakelijk bezig met wijsbegeerte en wiskunde, inzonderheid met de geschriften van Cartesius en Tschirnhaus, wiens „Medicina mentis" hij van verklaringen voorzag, waardoor hij in aanraking kwam met Leibniz. In 1703 vestigde hij zich te Leipzig als privaatdocent in de wiskunde en wijsbegeerte. Door den inval van Karei XII in Saksen genoopt om in 1706 Leipzig te verlaten, werd hij op aanbeveling van Leibniz in 1707 benoemd tot hoogleeraar in de wiskunde en natuurlijke historie aan de universiteit te Halle. Hier verwierf hij door zijn stelselmatig onderwijs en door zijn wiskundige geschriften grooten roem. Ook zijn wijsbegeerte vond vele aanhangers. Niettemin werd hij door de piëtistische theologen bij de regeering aangeklaagd als verachter van den godsdienst, waartoe vooral zijn redevoering: „De philosophia Sinensium morali" aanleiding gaf. Bij kabinetsorder van Frederik Willem I van den 15dcn November 1723 werd hij uit zijn ambt ontzet, terwijl hij tevens het bevel ontving, Halle binnen een etmaal en Pruisen binuen twee dagen te verlaten. De hoogeschool te Marburg gaf hem echter spoedig een nieuwe benoeming. De strijd over zijn wijsbegeerte werd nu meer algemeen. Intusschen had een opzettelijk daartoe te Berlijn ingestelde commissie haar onderzoek in het proces tegen zijn wijsbegeerte te zijnen gunste beëindigd, waarna Frederik II, die zelf één van zijn verhandelingen in het Fransch had vertaald, hem in 1740 als geheimraad, vice-kanselier der universiteit en professor in het natuur- en volkenrecht naar Halle terugriep. In 1743 werd hij kanselier, en in 1745 verhief de keurvorst van^ Beieren hem tot rijksvrijheer. Hij

Sluiten