Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(1904); van zijn dichtwerken: „Renata" (1892), „Assalide" (1896) en „Der falirende Schuier" (1900). Zijn tooneelspelen: „Kambyses" (1877), „Drohen Wolken" (1878), „DerFiskus" (1882) enz. vonden een minder gunstig onthaal. Hij overleed den 3aen Juni 1910 te Charlottenburg.

Wolff, Alberi, een Fransch schrijver, geboren te Keulen in 1835, had reeds, terwijl hij de hoogeschool te Bonn bezocht, een door hem zeiven geïllustreerde , .Humoristische Rheinreise" gepubliceerd, toen de Augsburger „Allgemeine Zeitung" hem in 18B7 naar Parijs zond als correspondent voor den „Salon de peinture". Te Parijs was hij eenigen tijd secretaris van Alexandre Durnas père en een zeer gezien kroniekschrijver van de „Figaro". De oorlog van 1870 dreef hem naar Brussel. Later keerde hij terug en volgde in 1891 Viiu bij den „Figaro" op als tooneelverslaggever. Alleen of met anderen schreef hij voor het tooneel: „L'homme du Sud" (1862), „Les mystères de 1'hÓtel des ventes" (1863), „Les thugs k Paris" (1866), „Egmont" (1887) enz. Verder verschenen van hem: „Cent chefs-d'oeuvre des collections parisiennes" (1884), „Mémoires du boulevard" (1886) en „Mémoires d'un Parisien" (6 dln., 1884—1888). Hij overleed in 1891 te Parijs.

Wolf-Ferrari. Ermanno, een Italiaansch componist, geboren den 12den Januari 1876 te Venetië, studeerde van 1893—1896 onder Rheinierger te München en was van 1902—1909 directeur van het stedelijk conservatorium te Venetië. Thans wijdt hij zich uitsluitend aan de compositie. Hij trok het eerst de aandacht door de opera „Le donne curiose" (1903) en het koorwerk „La vita nuova" (met tekst naar Dank, 1903). Daaraan voorafgegaan waren de opera's: „La Salamita" (1898) en „Cenerentola" (1900). Verder noemen wij nog: „Die vier Grobiane" (1906) en „Der Schmuck der Madonna". Bovendien schreef hij eenige werken voor kamermuziek, waaronder een quintet voor klavier, twee trio's en een vioolsonate.

Wölfflin, Eduard, een Zwitsersch-Duitsch taalgeleerde, geboren den l8ten Januari 1831 te Bazel, studeerde aldaar en te Göttingen, vestigde zich in 1856 als privaatdocent in zijn geboortestad en werd in 1861 benoemd tot professor aan het gymnasium te Winterthur. In 1896 werd hij benoemd tot buitengewoon en in 1870 tot gewoon hoogleeraar te Zurich, in 1875 tot gewoon hoogleeraar te Erlangen en in 1880 te München. Hij bezorgde uitgaven van Ampelius (1854), van spreuken en anecdoten, door hem ten onrechte aan Caecilius Balbus toegeschreven (1854), van Polyaenos (1860), van de spreuken van Publilius Syrus (1860), van Asinius Pollio's „De bello africo" (met Miodonski, 1889), van de „Benedicti regula monachorum" (1895), alsmede van boek 21—23 van Livius (3 dln., 1873—1883). Verder publiceerde hij: „Antiochos van Syrakus und Calius Antipater" (1872), „Lateinische und romanische Komparation" (1879), „Die allitterierenden Verbindungen der lateinischen Sprache" (1881) en „Uber die Gemination" (1882). Hij was redacteur van het „Archiv für lateinische Lexikographie und Grammatik" (1884 en later) en had aandeel aan de samenstelling van den „Thesaurus linguae latinae". Hij overleed den 8sten November 1908 te Bazel.

Wölfflin, Heinrich, een Duitsch kunsthistoricus, een zoon van den voorgaande, geboren den 21Bten Juni 1864 te AVir.terthur, studeerde te München en

Bazel, waar Jakob Burclihardt een beslissenden invloed op hem uitoefende en promoveerde in 1886 op het proefschrift „Prolegomena zu einer Psychologie der Architektur". Na een reis door Italië, waarvan het werk „Renaissance und Barock" (1888; 3ae druk, 1908) de vrucht was, vestigde hij zich als privaat-docent te München, waar hij in 1893 benoemd werd tot gewoon hoogleeraar. In 1901 trad hij te Berlijn op als opvolger van Herman Grimm. De voornaamste van zijn latere werken zijn: „Salomon Geszner" (1889), „Die Jugendwerke des Michelangelo" (1891), „Die klassische Kunst, eine Einführung in die italienische Renaissance" (4de druk, 1908) en „Die Kunst Albrecht Dürers" (2de druk, 1908).

Wolfgang1, vorst van Anhalt, geboren den Isten Augustus 1492 te Köthen, studeerde te Leipzig, volgde in 1508 zijn vader Waldemar VI op en had zijn zetel te Köthen. Op den rijksdag te Augsburg (1521) leerde hij Lui/ier kennen, schaarde zich onder diens aanhangers, voerde in 1522 de reformatie in, sloot zich in 1526 aan bij het Torgauer Verbond en maakte ook deel uit van het Schmalkaldisch Verbond. Op den rijksdag te Spiers behoorde hij tot de onderteekenaars van het protest; ook de Augsburgsche Geloofsbelijdenis onderteekende hij. In 1544 stond hij bij minnelijke schikking zijn aandeel aan Zerbst af aan zijn neven en verkreeg daarentegen geheel Bernburg. Na den slag bij Mülhberg (1547) werd hij door den keizer in den rijksban gedaan. Daarop toefde Wolfgang in den Harz, werd in 1551 door keurvorst Moritz tot gouverneur van Maagdenburg benoemd en in 1552 door het Verdrag van Passau van den ban ontheven. In 1562 schonk hij zijn bezittingen aan zijn neven en behield alleen Kosr wig. In 1564 echter vertrok hij vandaar naar Zerbst, waar hij den 23sten Maart 1566 overleed. Te Bernburg werd te zijner eere een standbeeld onthuld.

Wolfg-angsee, Sankt. Zie Abersee.

Wolfheeze is de naam van een gehucht en van een bosch in de Geldersche gemeente Doorwerd, die om hun natuurschoon veel door vreemdelingen worden bezocht. Het oostelijk deel heet HoogWolfheeze, het westelijk deel Laag-Wolfheeze. Te Laag-Wolfheeze heeft men overblijfselen gevonden van een woning uit den Romeinschen tijd.

Wolding1, Leopold, is de naam, dien aartshertog Leopold Ferdinand, geboren den 2den December 1868 als oudste zoon van groothertog Ferdinand IV van Toskane, aannam, nadat hij uit het keizerlijk Huis getreden was. Hij verliet met zijn zuster, de voormalige kroonprinses Louise van Saksen (zie Toselli, Louise) den 10del1 December 1902 heimelijk Salzburg, begaf zich naar Genève en deed den 298ten December afstand van alle rechten en waardigheden tegen een afkoopsom ineens van 200 000 francs en een levenslange lijfrente. Den 25sten Juli 1903 sloot hij, na als Zwitsersch onderdaan genaturaliseerd te zijn, een huwelijk met Wilhelmine Adamoviez. Dit werd in 1907 ontbonden, waarna hij Luise Ritter uit Patschkau in Silezië huwde.

Wolframiet, een delfstof, die meestal in monokine, zuil- of plaatvormige kristallen voorkomt, maar ook schaalachtige, stengelachtige, grootkorrelige agregaten vormt, bestaat uit een isomorf mengsel van ijzer- en mangaan wolframaat, (Fe Mn) W04, van afwisselende samenstelling. Het is

Sluiten