Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer plaatselijk, zooals bij roos en phlegmone. Door een antiseptische behandeling tracht men het ontstaan van wondziekten te voorkomen. Daarvoor worden de wonden zeer zorgvuldig gerei, igd en gedesinfecteerd, vooral wonden, dis de geneeskundige zelf maakt (operaties). Wonden, die reeds geinfecteerd zijn, kan men door uitspoeling met antiseptische stoffen reinigen, doch ri t zoo, dat men van hun zuiverheid zeker is. Dikwijls gelukt het echter, pas ontstane, verontrti igde wonden ia zuivere te veranderen door den bodem en de randen uit te snijden. Ook geïnfecteerde wonden kunnen, wanneer de bacteriën niet te talrijk of te boosaardig zijn, tengevolge van de bacteriëndoodende eigenschap van de lichaamscellen en van de door de wonde afgezonderde vloeistof, zonder hevige infectieverschijnselen genezen.

Woning:, de verblijfplaats der menschen, oorspronkelijk, evenals thai s nog bij vele onbeschaafde volken, een hol, hut of tent, heeft zich naar gelang van het klimaat, de nationaliteit en de familie, met betrekking tot haar grootte, haar bouw, haar verdeeling en versiering op zeer verschillende wijze ontwikkeld. Onder de woningen van de meer beschaafde volkeren der Oudheid bekleeden die van de Egyptenaren, Grieken en Romeinen de eerste plaats. Van de gebouwen uit Assyrië, Medië en Perzië is alleen iets bekend omtrent de paleizen van de heerschers, die getuigenis geven van een groote ontwikkeling van de bouwkunst. Omtrent de eigenlijke woonhuizen van deze volken is niets met zekerheid bekend, evenmin van die der overige Aziatische cultuurvolken, zooals de oude Indiërs, de Semieten en de volkeren van Klein-Azië. In de rnïnen van Kahoen en Tell-Amarna heeft men evenwel overblijfselen van oud-Egyptische woningen aangetroffen. Zij waren uit ongebrande tegels, vervaardigd uit Nijlslib, opgetrokken en overdekt met stroo of leemen daken op houten balken, later ook met gewelven. Er waren weinig vensters, die vermoedelijk hoog in den muur aangebracht waren. Meestal bezaten zij slechts één verdieping, sommige gedeelten waren meestal eenigszins hooger. Van buiten waren de huizen zeer eenvoudig; de muurvlakte werd alleen door de kroonlijst, de deur- en vensterkozijnen gebroken. De grootte is zeer verschillend; men heeft overblijfselen van huizen, slechts bestaande uit 2 vertrekken en een hof, en van groote huizen met talrijke vertrekken. In de laatste leidt een gang, waarin zich een vertrek voor den deurwachter bevindt, naar den hof, langs welke zich de vertrekken der mannen, de harem, de keuken, de stallen, de vertrekken voor de bedienden en de provisiekamers bevonden. Veel meer is ons uit de berichten der schrijvers en de verslagen der onderzoekers van den nieuweren tijd bekend geworden omtrent de Grieksche woning. Deze was verdeeld in een woning voor de mannen en een voor de vrouwen; de eerst? lag naast de vertrekken voor de bedienden, provisiekamers enz. op een open hof, die dikwijls door zuilen was omgeven. Het vrouwenverblijf bevond zich achter in het huis of op een bovenverdieping. Aan de achterzijde van den hof lag meestal een gemeenschappelijk woonvertrek, daarnaast bevonden zich één of meer slaapkamers, hierachter trof men een ruimte aan, waar de vrouwelijke bedienden haar werk verrichtten. De Etruskische woning had veel overeenkomst met de Griek¬

sche ; de hof was hier aan alle zijden voor een gedeelte overdekt en liet alleen in het midden een opening vrij, zoodat het regenwater zich in een kom kon verzamelen. Zulk een hof of atrium vormde ook het middelpunt van het Romeinsche huis, dat wij uit de beschrijving van Vitruvius en uit de ruïnen te Pompeji enz. op een voldoende wijze kennen. In de steden was het naar de zijde van de straat meestal van winkels en werkplaatsen voorzien. De hoofdingang voerde bij eenvoudige huizen tusschen deze winkels en werkplaatsen door naar het atrium, waaromheen de woonvertrekken lagen. Tegenover den hoofdingang lag de ontvangst- en werkkamer van den heer des huizes, waarnaast zich de woon- en ontvargstkamer van zijn echtgenoote bevond. Bij grootere huizen lagen de woonvertrekken meestal om een tweeden hof achter het atrium, terwijl zich om het atrium de provisiekamers, kamers voor de bedienden enz. bevonden. Ook had men achter dezen tweeden nog wel een derden hof. In de kleinere steden hadden de woningen meestal geen verdiepingen, maar toch een uit het atrium verlichte bovengaanderij, voor de bedienden bestemd. In groote steden daarentegen, waar men veel geld voor den grond moest betalen, bouwde men huizen met onderscheiden verdiepingen, deze hadden in den regel afzonderlijke trappen voor elk der huurders.

Na den val van het Romeinsche rijk kwam er aanvankelijk nog weinig veranderi g in den bouwtrant der woningen. De oud-Romaansche huizen zijn op dergelijke wijze ingericht als de Romeinsche. Slechts ziet men, dat de vertrekken der vrou-' wen meer tot het atrium naderen, terwijl de zuilengang omgeven is door pronkvertrekken. Hierin openbaart zich de betere positie van de vrouw en de grootere beteekeris van het huiselijk leven onder invloed van het Christendom, ook nam het geheele huisgezin langzamerhand meer deel aan het openbare leven, zoodat de vensters breeder werden gemaakt, het voorplein meer ruimte kreeg en men zelfs de woonvertrekken gelijkvloers aan de straat bouwde. Naast deze Romeinsche woningen ontstond langzamerhand, inzonderheid in de Germaansche landen, een geheel andere bouwwijze. In de eerste tijden van de Middeleeuwen, toen de vrije man dikwijls zich zelf moest beschermen, ontstonden er een aantal burchten (zie Burcht), dis dikwijls aanHdirg gaven tot het ontstaan van een stad. Dit type bleef nog geruimen tijd bewaard, ook in de steden. Meestal hadden zij eenigszirs het voorkomen van een toren; het benedenste gedeelte was zonder vensters en diende meestal tot magazijn. Een smalle trap l idde van den ingang naar de woonvertrekken. Langzamerhand maakten 'deze woningen plaats voor de Middeleeuwsche houten huizen, die in de verschillende land'n zeer ongelijk van bouw waren. In ons land had men dikwijls de volgende inrichtirg. Een deur, aan weerszijden van ba"ken voorzien, kwam uit in een vestibule, waarin veelal koopwaren uitgestald waren. Vanhi°r leidde een deur naar den binnenhof, waar zich de werkplaatsen, waschhokken, stallen, schuren enz. bevonden, en largs een trap naar de verdi»pi>'g met een lange, smalle pronkzaal en eenige zijkamers. In Italië behi"ld men in den aanvang der middeleeuwen de inrichting van het Byzantijnsche of van het Romeinsche huis, totdat men later, vooral in Opper-Italië, eenigszins den Germaansclien bouwtrant

Sluiten