Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den dood van Mensjikow in 1828 voerde hij bevel over de belegeringstroepen voor Warna en werd hij benoemd tot veldmaarschalk. In 1844 bevond hij zich aan het hoofd van het Russische leger in den Kaukasus en veroverde den 18den Juli 184B Dargo, de voornaamste vesting van Sjamyl, waarvoor hij beloond werd met de vorstelijke waardigheid. Hij overleed den 18den November 18B6 te Odessa. Aldaar en te Tiflis zijn gedenkteekenen voor hem opgericht. Zijn eenige zoon, Semen Michailswitsj, voerde in den Krimoorlog het bevel over een brigade van het 10de legerkorps. Hij overleed in 1882. Een neef van dezen was graaf Illarion Iwanowitsj WoronzowDaschkow, geboren den 8sten Juni 1837. Hij nam aan de oorlogen in den Kaukasus, in Turkestan en tegen Turkije deel, was van 1881—1897 chef van de rijksstoeterijen en tegelijkertijd minister van het keizerlijk Hof en daarna lid van den Rijksraad. In Maart 1905 werd hij stadhouder van den Kaukasus.

Worpswede, een dorp in het Pruisische distrikt Stade, gelegen in de nabijheid van de Ilamme, op een zandduin in het veen, bezit een Luthersche kerk, een gedenkteeken voor Findorf, den stichter der veenkoloniale ontginningen van Bremen en één voor Luther en telt (1905) 715 inwoners. Sedert 1895 is de plaats bekend geworden als zetel van een kolonie van schilders der naturalistische richting, van welke wij als de voornaamsten noemen: Hans van Ende, Modersohn, Overleck, Vogeler en Mackensen.

Worsaae, Jens Jakob Asmussen, een Deensch oudheidkundige, geboren te Veile in Jutland den 14den Maart 1821, studeerde eerst in de godgeleerdheid en vervolgens in de rechten, was daarop van 1838 tot 1843 werkzaam als assistent bij het koninklijk museum voor Noorsche oudheden, begaf zich, na het volbrengen van verschillende wetenschappelijke reizen in Denemarken, Zweden en Noorwegen, in

1845 naar Duitschland en schreef over de Duitsche oudheidkundige verzamelingen: „Die nationale Altertumskunde in Deutschland"(1846). Hij reisde van

1846 tot 1852 in Engeland, Schotland, Ierland en Frankrijk, om de overblijfselen van de heerschappij der Noormannen op te sporen en bezocht vervolgens Italië. Sedert 1847 was hij inspecteur van de oudheidkundige gedenkteekenen in Denemarken, ontving in 1849 met Thomsen den last, een afzonderlijke commissie tot behoud der oudheden in Denemarken te benoemen en werd in 1865 directeur van het museum van Noorsche oudheden, van liet ethnografisch museum en van de chronologische verzameling op het kasteel Rosenborg. Hij overleed den 15dea Augustus 1885 op het landgoed Hagestedgaard bij Holbek. Van zijn geschriften vermelden wij: „Dansmarks 01dtid"(1843), „Blekingske Mindesmarker fra Hedenold"(1846), „Minder om de Danske og Normandene i'Èngland, Skotland og Irland"(1852), „Afbildninger fra det Kongelige Museum for Nordiske 01dsager"(1854), „Den Danske Erobring af England og Normandiet"(1863), „Om Slesvigs eller Sönderjyllands Oldtidsminder (1865), „Om Danmarks tidligste Bebyggelse"(1861), „Den jydske Halvö og dens Fortidsminder"(1864), „Ruslands og det skandin Nordens Bebyggelse og aeldste Kulturforhold" (1872), „De Danskes Kultur i Vikingetiden"(1873) en „Nordens Forhistorie". In 1889 werd in het museum van Noorsche Oudheden een standbeeld voor hem opgericht.

Worst is de naam van een spijs, die bestaat uit

gehakt vleesch en vet, dikwijls vermengd met fijngemaakte lever, longen, hart, hersens en zwoerd en gewoonlijk toebereid met specerijen, zout, salpeter, gort, zemelen, rijst, rozijnen of andere bestanddeelen. Deze fijngemaakte massa wordt in darmen, maag, blaas of in zakken van perkamentpapier of een andere stof gedaan en in vele gevallen daarna gerookt. Het aantal soorten worst is zeer groot. De meeste worden uit deelen van varkens of runderen bereid, minder dikwijls van paarden, ezels, muildieren, schapen, ganzen of wild, zelden van gevogelte, visch of kreeft. Sommige soorten worst worden alleen gerookt, zonder dat ze gekookt worden, zooals cervelaatworst, metworst en knakworst, andere worden gekookt en niet gerookt, zooals leverworst en bloedworst; braadworst wordt in de pan of op een rooster gebraden; Frankforter- en Weener worsten worden na het rooken nog even gekookt. Dikwijls wordt vleesch worst met 15—20% meel vermengd. Sommige soorten worst bederven spoedig, wanneer zij niet voldoende gekookt worden, en ontwikkelen dan het worstvergif (zie aldaar). Om de worst een mooie kleur te geven worden dikwijls kleurstoffen gebruikt. Worst was bij de oude Grieken reeds bekend, zooals uit de „Odyssee" blijkt; ook bij de Romeinen was het een van de meest geliefde spijzen. De Christelijke Kerk verbood het maken van worst als een heidensch gebruik, in de Middeleeuwen echter werden bij feestelijke gelegenheden dikwijls groote worsten in plechtige processies rondgedragen, zoo in Brunswijk bijv. een van 800 el.

Het woord worst, waarvan de afleiding onzeker is, is waarschijnlijk in de 13de eeuw ontstaan.

Worstelen noemt men den strijd tusschen twee ongewapende personen, waarbij de een den ander door meerdere lichaamskracht en behendigheid tracht te overwinnen. Reeds bij de Grieken stond deze strijd, die aan bepaalde regels was onderworpen, in groot aanzien. Zij kenden twee wijzen van worstelen n.1. de staande strijd (orthépalé), waarbij men om de overwinning te behalen zijn tegenstander driemaal moest omverwerpen, en de kamp op den vlakken grond (alenderis kylisis). Bij de wedstrijden werd alleen op de eerste wijze geworsteld. Ook de Romeinen beoefenden deze soort sport, echter in mindere mate dan de Grieken. In den nieuweren tijd verwierf het worstelen zich in Engeland groote populariteit en vond van hier uit ook in andere landen meer ingang. Tegenwoordig is diegene in den worstelstrijd overwinnaar, die zijn tegenpartij met de beide schouders tegelijk den grond doet aanraken. Men onderscheidt daarbij nog verschillende methoden. De GriekschRomeinsche worstelwijze, waarbij de Fransche methode zich in hoofdzaak aansluit, volgt in het algemeen de wijze, waarop in de Oudheid werd geworsteld. Daarbij zijn kunstgrepen, als aangrijpen bij de vingers, omdraaien van armen of beenen, stooten in de maagstreek, omsluiten van den nek met een of beide armen enz. niet geoorloofd. Sommige van deze kunstgrepen zijn niet verboden bij de Amerikaansche en de Zwitsersche methode. Bij de eerste, het worstelen a 1'américaine of schouder-elleboog-worstelkamp, is aan de kleeding van de worstelaars in de streek van den linkerschouder en de rechter elleboog

een lus gemaakt voor het aangrijpen van den tegenstander. Bij de Zwitsersche worstelwijze grijpen de tegenstanders elkander bij de voeten en tracht elk van hen de tegenpartij door een krachtigen ruk naar

Sluiten