Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoekt men nu den wortel van het getal 34 012 224, dan ligt deze blijkbaar tusschen 6 000 en 6 000. Men moet dus a = 5 000 stellen. Trekt men dan a2 = 25 000 000 af en deelt men de rest 9 012 224 door 2 a = 10 000, dan ziet men dat b tusschen 800 en 900moet liggen, zoodat b =800. Nuis2ab+b2 = 8 640 000, zoodat nog 372 224 overblijft. Dit gedeeld door 2 (a + b) = 11 600 geeft c = 30. Jlen trekt weder 2 (a + b) c + c2 = 348 900 af en vindt als rest 23 324. Deze gedeeld door 2 (a + b + c) = . 11 660 geeft d = 2, terwijl 2 (a + b + c) d + d2 = 23 324, zoodat de berekening op gaat en de gezochte wortel 5 832 is. Was dit niet het geval, dan kon men willekeurig verder gaan, totdatdegewenschte nauwkeurigheid was bereikt. Systematisch gerangschikt komt, met weglating van nullen, en verdere overbodige cijfers de bewerking aldus te staan:

V 34 01 22 24 = 6832 a2 = 25

901

2 ab + b2 = 864 3722

2 (a + b) c + c2 = 3489 23324

2(a+ b+ c)d+ d2 = 23324

0

De derdemachtswortel kan op overeenkomstige wijze worden gevonden. Daar deze bewerking echter zeer omslachtig is, wordt zij praktisch niel^meer gebruikt.

Wortel noemt men in de taalkunde de grondelementen van een woord, het bestanddeel, dat overblijft, wanneer men het van alle formeele elementen, zooals buigingsuitgangen, voor- en achtervoegsels enz. ontdoet, en dat de grondbeteekenis van alle van den wortel afgeleide woorden inhoudt. Zoo bijv. behooren de woorden slaan, stand, standaard, verstandig, onuitstaanbaar enz. alle tot één wortel sta, die het begrip staan uitdrukt. De meening, dat de wortels vroeger als zelfstandige woorden hebben bestaan, in onjuist. Het zijn veeleer symbolen voor een groep etymologisch samenhangende vormen of woorden. Uit zulk een groep samenhangende vormen of woorden kan men door toepassing van taal- en klankwetten den gemeensehappelijken wortel reconstrueeren. De eerste pogingen om uit de woorden systematisch de wortels op te sporen werden door Indische taalgeleerden gedaan, die reeds vóór den aanvang van onze jaartelling alle woorden uit het Sanskriet tot een aantal wortels teruggebracht hadden. Later hebben de Arabische taalgeleerden veel gedaan voor de beoefening van de Arabische, de Joodsche veel voor die van de Hebreeuwsche woorden en wortels.

Wortel. Zie Daucus en Peen.

Wortelknollen. Zie Knollen.

Wortelpootigen (Rhizopoda) is de naam eener klasse van zeer eenvoudige, laag bewerktuigde diertjes uit de hoofdafdeeling der vormlooze dieren (Protozoa), wier lichaam uit een gelijkvormig protoplasma (sarcode) zonder bepaald omhullingsvlies bestaat en geen organen laat onderscheiden. De zeer beweeglijke, geleiachtige zelfstandigheid, welke

hun lichaam samenstelt, heeft aan elk deel der oppervlakte wortelvormige schijnvoetjes (pseudopodiën), welke zij kan terugtrekken en wederom doen ineenvloeien met de lichaamsmassa. Het protoplasma is bij de wortelpootigen meestal homogeen en bevat slechts zelden gekleurde korreltjes, blaasjes en vetbolletjes, scheidt veelal kalk- of kiezelachtige huisjes of geraamten af, doorgaans van regelmatigen, dikwijls van zeer sierlijken vorm. De pseudopodiën dienen zoowel voor de beweging als voor het opnemen van voedsel, daar zij in het water zwevende stoffen omsluiten en geheel oplossen. Hetgeen niet voor oplossing vatbaar is, wordt uit de sarcode weer verwijderd, doordat deze daaromheen wegvloeit. Zulk een voeding heeft bij de Wortelpootigen, die in schalen besloten zijn, plaats buiten de schaal. De Wortelpootigen leven vooral in zee en dragen door de ophooping van schalen niet weinig bij tot vorming van zeebezinksels, zoodat zij op den duur beddingen doen ontstaan van aanzienlijke dikte. Ook heeft men een groot aantal fossiele Wortelpootigen. Men verdeelt hen tegenwoordig in vijf orden: Moneren, Amoeben, Heliozoën, Radiolariën en Thalamophoren. Bij de Moneren ontbreekt aanhetprotoplasma de z.g. kern. Het is echter zeer goed mogelijk, dat dit lichaam niet wordt opgemerkt, vooral als het protoplasma zeer rijk is aan kleurstoffen en hierdoor wordt verklaard dat men vroeger mger vormen tot de Moneren bracht dan tegenwoordig.

Bij de Amoeben vindt men een kern en bestaatliet lichaam verder uit 2 lagen, n.1. een weeke binnenlaag, het entosark en een vaste heldere buitenlaag, het extosark. De kern ligt in het entosark, soms zijn zelfs verscheiden kernen aanwezig. In den regel is ook een contractiele vacuole aanwezig, terwijl de voortplanting door deeling geschiedt.

Bij de Heliozoën vindt men een kogelvormig lichaam en zijn de pseudopodiën straalsgewijs gerangschikt. Aan deze laatste vindt men een dunnen als skelet fungeerenden asdraad en een dun overtrek van korrelig protoplasma. Ook hier vindt de voortplanting door deeling plaats, hoewel het kan voorkomen, dat een of beide deelstukken zwermsporen worden. Er zijn verder skeletlooze en skelet vormende Heliozoën. Clathrulina elegans bezit een fraai skelet in den vorm van een zeefvormig doorboorden kogel en wordt door een steel gedragen. Actino sphaerium Eichliorni bezit geen skelet en was reeds in de 18de eeuw door den predikant Eichhomi ontdekt.

De Radiolariën gelijken veel op de Heliozoën, maar wijken af door de aanwezigheid van het z.g. centraalkapsel. Dit is een door een membraan omsloten inwendig gelegen deel, dat zich door prepareernaalden laat isoleeren. Aldus vrijgemaakt, blijft het in leven en regeneert zelfs het extracapsulaire weeke gedeelte. Dit laatste sterft echter af als het centraalkapsel is verwijderd. In het centraalkapsel liggen één of meer kernen; in jeugdtoestand is deze éénkernig maar tegen den voortplantingstijd ontwikkelen er zich meer. Vele Radiolariën bezitten een fraai skelet in zeer verschillende vormen en in den regel kiezelzuur bevattend. Hierdoor wordt verklaard, waarom deze in vele aardlagen worden aangetroffen.

De Thalamophoren of Foraminiferen. Eerstgenoemde zijn Wortelpootigen met één- of meer kamerige, kalkachtige, zelden zand- en kiezelachtige schalen. De geheele schaal is met sarcode gevuld,

Sluiten