Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Woudpitoortje of Houtbutoorlje (Ardetla minula) is een vogel uit het geslacht van de dwergroerdompen en uit de familie van de reigervogels. Zijn lengte bedraagt 40 cm. Hij heeft een slanken snavel, pooten met een korten loop, betrekkelijk lange vleugels en een korten, zwakken staart. De veeren van den bovenkop, nek, rug en schouders zijn zwart met groenachtigen weerschijn, die van de bovenvleugels en de onderdeden zijn roestgeel met zwarte vlekken aan de zijden van de borst, de slagen stuurpennen zijn zwart. De iris is geel, de snavel op den rug bruin, overigens bleekgeel, de voet groengeel. Het wijfje en de jongen zijn eenigszins anders gekleurd dan het mannetje. Ten Z. van Zweden en de Orkneyeilanden komt het woudhopje in geheel Europa voor; in Nederland vertoeft het van April tot October en broedt in sommige streken. Het houdt zich bij voorkeur op in broeklanden, die met veel riet, kreupelhout of moerasplanten zijn bedekt. Overdag verbergt het zich in het riet, 's nachts, maakt het jacht op wormen, insekten, slakken, kleine kikvorschen enz. Deze vogels maken een groot, kunsteloos nest, waarin het wijfje 3—6 eieren legt, die na ongeveer 16 dagen uitkomen. In den paartijd laat het mannetje, evenals de roerdomp, een loeiend geluid hooren.

Woudplanten noemt men in ruimeren zin alle gewassen, welke een min of meer samenhangend geheel vormen, in engeren zin alleen de boomen, loof- zoowel als naaldhout, die wouden vormen. Naaide polen toe vinden de wouden hun afsluiting in de boomgrens. Op het N.lijk halfrond valt deze ongeveer samen met den Juli-isotherm van 10° C. Hooger N. waarts komen in de arctische flora alleen nog maar heesterachtige houtplanten voor, zooals dwergwilgen enz. Op het Z.lijk halfrond ligt de boomgrens in Z. Amerika op ongeveer 46° Z. Br. In de nabijheid van de keerkringen beletten het gebrek aan neerslag en de groote hitte op uitgestrekte terreinen (steppen en woestijnen) den boomgroei. Afgezien van de tropische zone, beslaan de wouden op beide halfronden een lintvormigen gordel, gelegen tusschen de glaciale en de grasland- en woestijnzone. De boreale, zoowel als de australe woudgordel worden door klimatologische verschillen in een aantal onderafdeelingen verdeeld. Op het N.lijk halfrond onderscheidt men deze als gordels van het winterharde naaldhout, van het loof hout en van de steeds groene houtplanten. Op het Z.lijk halfrond vormen de laatste bijna overal de meerderheid. Dezelfde opeenvolging vertoont zich bij het stijgen in hoogte, waarbij aan den voet der bergen die woudformatie wordt aangetroffen, welke met het aldaar heerschende klimaat overeenstemt. In de Middel- en Z.Europeeschegebergtenbereiken de steeds groene houtplanten een hoogte van 800 — 900 m., het loofhout een van 800 (Sudeten) —1800 (Pyreneeën) m. en het naaldhout van 1200 (Sudeten) -— 2400 (Pyreneeën) m. Daarboven komt meestal alleen nog de Pinus monlam voor.

Opmerkenswaardig is het verschil in aantal geslachten en soorten der verschillende woudgebieden van denzelfden gordel. Terwijl het Atlantisch-Amerikaansche woud 66 geslachten met 155 soorten telt en het O. Aziatische op bijna evenveel geslachten 168 soorten bevat, komen in het Europeesche woud slechts 33 geslachten met 85 soorten voor. De verklaring daarvan is te zoeken in de verspreiding der

woudboomen in het jongere tertiaire tijdvak. In den mioceentijd kwamen de meeste geslachten ook nog in Europa voor. In den ijstijd verdwenen de Atlantische vormen uit Europa, doordat zij tusschen twee gletscliergebieden werden ingesloten en tengevolge van de ingetreden klimaatverandering afstierven, terwijl zij na het optreden van een milder klimaat niet meer in staat waren hun oude standplaatsen te heroveren. In N. Amerika daarentegen kon de Atlantische woudflora gedurende de „vergletschering", welke tot ongeveer 40° N. Br. reikte, Z. waarts wijken en zich aldus staande houden.

Ter weerszijden van den evenaar, aan beide zijden door de reeds genoemde grasland- en woestijnzone ingesloten, wordt het tropisch woud (zie Tropenflora) aangetroffen.

Tot de woudplanten in ruimeren zin rekent men de formatie van het onderhout en de planten van den woudbodem. In Middel-Europa wordt de eerste door een reeks heester- en struikachtige gewassen, als Juniperus, Orataegus, Sambucus, Rosa, Calluna enz. vertegenwoordigd. De flora van den woudbodem is afhankelijk van het licht en de gesteldheid van den bodem. In donkere wouden ontwikkelen zich humusplanten, welke op haar beurt den groei van wortelzwammen mogelijk maken. De begrenzing van de hoofdtypen van deze flora is moeilijk aan te geven.

Woudrichem, een stadje in de gemeente Woudrichem-en-Oudendijk in Noord-Brabant, ligt op de plaats, waar de Maas en de Waal zich vereenigen tot de Merwede, in de nabijheid van Loevestein en Gorinchem. Men vindt er een stadhuis, een Hervormde en een Roomsch Katholieke kerk, een artillerie- en een marechausseekazerne. De plaats is zeer oud; volgens sommigen zou er reeds in de 7de eeuw een kerk zijn gesticht. In een oorkonde van 1178 wordt zij het eerst vermeld. Zij werd de hoofdplaats van het Land van Altena en verwierf in de 15de eeuw stedelijke rechten. In 1288 werden er onderhandelingen, gevoerd tusschen Brabant en Gelderland, in 1348 werd er een verbond gesloten tusschen Willem van Beieren en Reinier van Gelder. Woudrichem werd in 1405 door de Utrechtenaren geplunderd, in 1418 kwam er een vrede tot stand tusschen Jan van Brabant en Jan van Beieren, in 1521 werd het door de Gelderschen verrast, in 1574 kregen de Spanjaarden het voor korten tijd in bezit. In 1590 werd het door de Staten van Holland aangekocht. Het werd in 1815 met Noord-Brabant vereenigd.

Woudrichem-en-Oudend^k. een gemeente in de provincie Noord-Brabant, 684 HA. groot, met (1910) 2233 inwoners, wordt begrensd door de Noord-Brabantsche gemeenten Rijswijk, de Werken-en-Sleeuwijk, de Zuid-IIollandsche gemeente Gorinchem en de Geldersche gemeenten Vuren en Poederooien. De grenzen worden gedeeltelijk gevormd door de Merwede en de Maas. De bodem bestaat uit rivierklei. De voornaamste middelen van bestaan zijn landbouw, veeteelt en visscherij. Tot de gemeente behoort het stadje Woudrichem (zie aldaar) en de buurt Oudendijk.

Woulffscheflesch noemt men door Woulff uitgevonden twee- of driehalzige flesschen, welke in de scheikunde gebruikt worden om gassen met vloeistoffen in aanraking te brengen. Een buis door den eenen hals dient tot aanvoer van gas en brengt dit in de vloeistof en het gas verlaat de flesch

Sluiten