Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het recht en wreeksters van de misdaad werden zij als welwillende machten voorgesteld en droegen als zoodanig den naam van Eumeniden (= de welwillenden); in Attilca hadden zij als Semnai (= de eerwaardigen) op den heuvel van Ares en te Kolonos aanhaar gewijde heiligdommen.'s Nachts werden zwarteschapen, met honig vermengd water, melk en koeken aan haar geofferd. Bij de Romeinen vervulden de Furiën oiDiraede rol van de Grieksche Erinnyen. Volgens de Romeinsche voorstelling kwellen zij de misdadigers in de onderwereld doch komen ook wel op de aarde om waanzin en misdaad te brengen. In overeenstemming met het dubbele karakter van de wraakgodinnen stelt de beeldende kunst haar in tweeërlei vorm voor, n.L als eerwaardige, ernstige vrouwen in een lang gewaad met slangen in de hand, en als vreeselijke godinnen, meestal in jachtgewaad, die een meer of minder afschrikwekkend voorkomen hebben.

Wrangel, Hermann von, een Zweedsch veldheer, geboren te Esthland, den 9den Juli 1587 uit een oud Zweedsch geslacht, onderscheidde zich in 1621 als veldmaarschalk bij de belegering van Riga, in 1629 bij Gurzno tegen de Polen en werd in 1630 rijksraad. In 1632 werd hij gouverneur van Pruisen, in 1636 voerde hij bevel over een Zweedsch corps in Brandenburg, in 1637 in Pommeren, doch werd in 1638 wegens oneenigheden met Banner teruggeroepen. Hij werd in 1643 tot gouverneur van Lijfland benoemd. Hij overleed den 208ten December 1643 te * Lijfland. Zijn brieven van 1614—1643 aan Oxenstierna werden door Sondèn uitgegeven.

Wrangel, Karl Gustav, graaf, een Zweedsch veldheer, een zoon van den voorgaande, geboren den 238ten December 1613 op het vaderlijk kasteel Skokloster, niet ver van Upsala, werd in 1629 benoemd tot officier en onderscheidde zich in 1632 bij het overtrekken van de Lech. Reeds in 1638 was hij generaal-majoor en na den dood van Banner een van de vier generaals, die tot aan de komst van Torstenen bevel voerden over het Zweedsche leger in Duitschland. Onder laatstgenoemde nam hij deel aan de veldtochten in Duitschland en Denemarken en werd in 1644 na den dood van Fleming opperbevelhebber der vloot, met welke hij den 23sten October 1644 bij Fehmarn aan de Denen een nederlaag toebracht. In 1645 werd hij als veldtuigmeester weder naar Duitschland gezonden, zag zich tot veldmaarschalk en rijksraad benoemd en verkreeg het opperbevel over het leger, toen Torstenson ontslag nam. Den 17den Mei 1648 behaalde hij met de Franschen onder Turenne bij Zusmarshausen een overwinning op het keizerlijk-Beiersche leger. In den oorlog van Karei X Gustaaf tegen Polen voerde hij eerst het opperbevel over de vloot, maar nam ook deel aan den strijd te lande en voerde met den keurvorst van Brandenburg in den slag bij Warschau (28—30 Juli 1656) het opperbevel over den linkervleugel van het leger der Bondgenooten. Van Polen vertrok hij met den koning naar Denemarken, waar hij in 1657 Fredericia en na den tegen zijn raad ondernomen overtocht over de Belt naar Seeland (1658) ook Kronenborg veroverde. Daarentegen gelukte het hem niet, nadat hij wederom het opperbevel over de vloot op zich genomen had (1659), het ontzet van Kopenhagen door de Nederlandsche vloot te beletten. Gedurende de minderjarigheid van Karei XI was hij eerst als rijksadmiraal en vervol¬

gens als rijksmaarschalk van 1660—1672 lid van het bewind. Van 1665—1666 was hij in den strijd tegen Bremen met het opperbevel belast, evenals in den oorlog, die in 1675 tegen zijn wil met Brandenburg aangevangen was. Wegens ziekte was hij genoodzaakt het opperbevel over te geven aan zijn halfbroeder luitenant-generaal Waldemar Wrangel. Daar de oorlog een voor de Zweden zeer ongunstig verloop had, werd Wrangel afgezet. Hij overleed den 5den Juli 1676 te Spieker op het eiland Rügen.

Wrangel, Friedrich Heinrich Ernst, graaf Von, een Pruisisch generaal-veldmaarschalk, een telg uit het Zweedsch geslacht, werd geboren den 13den April 1784 te Stettin, waar zijn vader kolonel was van een regiment infanterie, trad in 1796 als jonker in dienst bij een regiment dragonders in Oost-Pruisen, werd in 1798 luitenant, verwierf in 1807 bij Heilsberg de Orde pour le mérite, klom in 1809 op tot ritmeester, onderscheidde zich in de veldslagen van 1813 en werd bevorderd tot majoor. In het begin van 1814 woonde hij de berenning bij van Luxemburg en eveneens de daarop volgende gevechten. Hij werd in April 1814 tot luitenant-kolonel en commandant van het tweede West-Pruisische regiment dragonders benoemd. In 1815 werd hij kolonel, kwam in 1819 aan het hoofd van het 5de regiment kurassiers, in 1821 aan de spits der 10de brigade cavalerie, werd in 1823 generaal-majoor en in 1834 commandant van de 13ae divisie te Munster, waar hij in 1837 de oproerige bewegingen dempte, door botsingen met den aartsbisschop van Keulen ontstaan. In 1838 werd hij luitenant-generaal en in 1839 generaal en chef van het l8te armeekorps te Koningsbergen. Wegens onaangenaamheden met den vrijzinnigen opperpresident Von Schön werd hij in 1842 verplaatst als kommandant van het 2de armeekorps naar Stettin. In 1845 werd hij chef van het 3de regiment kurassiers (te Koningsbergen), dat thans nog zijn naam draagt. In den Duitsch-Deenschen Oorlog van 1848 voerde hij het opperbevel over de Duitsche Bondstroepen in Sleeswijk-Holstein. Hij behaalde den 23sten April de overwinning bij Sleeswijk en drong in Jutland door, maar legde reeds den 8sten September het opperbevel neder, om het te aanvaarden in de Marken. Den 9den November trok hij met de troepen, bij de hoofdstad verzameld, binnen Berlijn, verklaarde den 12den November de stad in staat van beleg en herstelde zonder bloedvergieten het gezag der regeering. Nu werd hij tot generaal der cavalerie benoemd en verkreeg in 1849 bij het opperkommando in de Marken het algemeen kommando over het 3de armeekorps. In den zomer van 1852 deed hij op uitnoodiging en in het gevolg van den Russischen keizer een reis door Rusland en bezocht Konstantinopel. Hij werd in 1856 benoemd tot generaal-veldmaarschalk. Bij den aanvang van den Duitsch-Deenschen oorlog in Januari 1864 verkreeg hij het opperbevel over het verbonden Oostenrijksch-Pruisische leger, maar werd, daar hij het plan van Moltke niet volgde en de afsnijding van de Denen in het Danewerk verijdelde van het commando ontzet. Tevens werd hij in den gravenstand opgenomen. In 1866 ontving hij geen kommando, maar vergezelde als vrijwilliger zijn regiment naar Bohemen. Hij overleed te Berlijn den laten November 1877. Zijn bronzen standbeeld werd aldaar den lsten November 1880 op het Leipziger Plein onthuld.

Wrange!! of Wrangel, Ferdinand, baron van,

Sluiten