Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(nieuwe druk, 4 dln., 1839). Hij overleed den 7den November 1831. Na zijn dood verschenen nog: „Posthumous memoirs of his own time"(3 dln., 1836).

Wrbas, Vrlas of Verlas, een rechter zijrivier van de Save in Bosnië, ontspringt bij den Zec-Planina ten zuiden van Foinitza, stroomt eerst noord-westwaarts en dan noordwaarts langs Banjaloeka, ontvangt op den rechter oever de Oegar en de Wrbanja, op den linker oever de Janska en de Pliva, bevat in het zand van haar bedding eenig goud, wordt beneden Banjaloeka bevaarbaar en mondt bij Svingar uit in de Save. Zij heeft een lengte van 170 km.

Wrede, Karl Philipp, vorst, een Beiersch veldmaarschalk, geboren den 29sten April 1767 te Heidelberg, studeerde aldaar in de rechten, wijdde zich tevens aan de beoefening der boschcultuur, werd „Hofgerichtsrat" te Mannheim, in 1792 assessor te Heidelberg en ontving in 1793 een benoeming als landscommissarisvoor de Palts bij hetOostenrijksche korps van Hohenlohe en bekleedde dit ambt van 1795—1798 bij dat van Wurmser. In 1799 betrad hij aan het hoofd van een korps uit de Keur-Palts, waarmede hij den 14den October bij Friedrichsfelde streed, de militaire loopbaan, nam als kolonel deel aan de veldtochten van 1799 en 1800 en vocht in laatstgenoemd jaar als generaal-majoor bij Hohenlinden. Na den vrede bevorderde hij de reorganisatie van het Beiersche leger, werd in 1804 luitenantgeneraal en verkreeg in 1806 het opperbevel over een divisie van het Beiersche leger. In 1807 voerde hij bevel in Silezië en Polen, in 1809 droeg hij veel bij tot de overwinningen bij Abensberg en Landshut. Hij veroverde Salzburg en bezette Innsbruck, bracht daarna geheel Tirol tot onderwerping en had een belangrijk aandeel aan de overwinning van Napoleon bij Wagram. Napoleon benoemde hem tot rijksgraaf en schonk hem aanzienlijke goederen. Daarop werd hij bevorderd tot generaal der cavalerie, bracht in 1812 met Deroy de Beiersche troepen naar Rusland en aanvaardde na den dood van laatstgenoemde het opperbevel. Nadat Beieren den 8sten October 1813 zich bij de verbonden Mogendheden had gevoegd, plaatste Wrede zich als opperbevelhebber aan het hoofd der vereenigde Beiersche en Oostenrijksche troepen en bracht deze van de Inn naar den Main, waar hij Napoleon bij Hanau den terugtocht wilde afsnijden, maar den 308ten en 31sten October de nederlaag leed en zwaar gewond werd. Terstond na zijn herstel begaf hij zich naar Frankrijk en plaatste zich aan het hoofd van het 5de armeekorps. In den slag bij La Rothière (1 Februari 1814) veroverde hij 23 kanonnen, besliste vervolgens den slag bij Bar sur Aube en droeg aanmerkelijk bij tot de overwinning bij Arcis sur Aube op den 21stei1 Maart. Inmiddels was hij door den koning van Beieren den 7den Maart 1814 tot veldmaarschalk benoemd en den 9den Juni in den vorstenstand opgenomen en verkreeg den 24sten Mei 1815 het in Nordgau gelegen Ellirgen als een bij eerstgeboorte erfelijk vorstendom onder de souvereiniteit van Beieren. Op het Congres te Weenen vertegenwoordigde hij Beieren. Toen in 1815 de oorlog opnieuw uitbrak, deed hij als bevelhebber van het Beiersche leger een inval in Lotharingen. Na den vrede werkte hij voor de instelling van een grondwet, die hij na den val van Montgelas ook doordreef, en nam als lid van den Rijksraad deel aan de beraadslagingen van den eersten Landdag in Beieren (1819). Later werd hij met verschillende ge¬

wichtige zendingen belast en kwam den l8ten October 1822 als generalissimus aan het hoofd van het Beiersche leger. Bij de woelingen in Rijn-Beieren in 1832 vertrok hij als Hofcommissaris derwaarts en wist door zijn gematigdheid weldra de rust te herstellen. Hij overleed te Ellingen den 12dei1 December 1838. Zijn standbeeld is geplaatst in de Zaal der Veldheeren te Münclien.

Wren, sir Christopher, een Engelsch bouwkundige, geboren den 20Bten October 1632 te EastKnoyle in Wiltsliire, studeerde in de wiskunde te Oxford en werd in 1657 leeraar in de sterrenkunde aan het Gresham-college te Londen en in 1659 aan de universiteit te Oxford. Daarenboven hield hij zich bezig met architectuur en bouwde o.a. den prachtigen Sheldonschouwburg te Oxford en het PembroKe-college te Cambridge. In 1665 vertrok hij naar Frankrijk, om de bouwwerken, onder Lodewijlc XIV aldaar gebouwd, te bestudeeren. Na den grooten brand te Londen in 1666 werd hij er tot stadsbouwmeester en in 1668 tot koninklijk architectgeneraal van Engeland benoemd. Als zoodanig heeft hij meer dan 60 kerken en openbare gebouwen ontworpen, o. a. den Temple, het nieuwere gedeelte van het paleis van Hamptoncourt, Marlborough House, de bibliotheek van Trinity-College te Cambridge enz., Zijn voornaamste werk is de Sint Paulskerk, van 1675—1710 gebouwd. Hij is de voornaamste bouwmeester van Engeland in den nieuwen tijd geweest, zijn invloed op het voorkomen van het tegenwoordige Londen is groot geweest. In 1718 werd hij tengevolge van hofintriges verdreven en vestigde zich daarna te Hamptoncourt. Hij overleed aldaar den 258ten Februari 1723. Zijn nagelaten werken en teekeningen werden door zijn zoon uitgegeven.

Wrexham, een stad in het Engelsche vorstendom Wales en in het graafschap Denbigh, heeft een station van den Grooten Westerspoorweg en van den spoorweg naar Chester en telt (1901) 14 966 inwoners. Men heeft er een kerk van liet jaar 1472 met een toren ter hoogte van 56 m. (gerestaureerd in 1867), een technische school, een bibliotheek, steenkolengroeven, ijzer- en kopersmelterijen en flanelfabrieken.

Wrig-ht, Thomas, een Engelsch geleerde, geboren den 21stcn April 1810, studeerde te Cambridge en werd vervolgens professor aan het Trinity-college te Cambridge. In 1836 vertrok hij naar Londen, waar hij als kenner van geschiedenis, letterkunde en oudheidkunde een buitengewone werkzaamheid ontwikkelde. Zijn werken op taalkundig gebied en zijn uitgaven van oudere teksten zijn meestal vluchtig en oppervlakkig bewerkt. Van zijn talrijke werken noemen wij: „Queen Elizabeth and her times" (2 dln., 1838), „Essays on the literature, superstition and históry of Ëngland in the middle ages" (2 dln., 1846), „Biographia britannica literaria" (2 dln., 1842—1846), „The Celt, the Roman and the Saxon" (1852), „Dictionary of obsolete and provincial English" (2 dln., 1857), „Domestic manners in Englar.d during the middle ages" (1861, nieuw^ uitgave als „Homes of other days" 1871), „Anglosaxon and old English vocabularies" (1857 en 1873), „Early mysteries and other latin poems of the XII and XIII. centuries" (1838), „The Chester plays" (1841), „Political songs of England from the reign of John to that of Edward II. (2 dln., 1859—1861) en „Uriconium, a historical account

Sluiten