Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een afzonderlijke soort van slepende wrijving is die van een as in haar pan; zij is geringer dan de wrijving tusschen platte vlakken. Daar de arbeid, die tot liet overwinnen van deze wrijving vereischt wordt, evenredig is aan den omtrek en dus aan de middellijn der assen, maakt men deze zoo klein mogelijk, Lichte, snel loopende raderen laat men ook wel loopen tusschen twee kegelvormige punten, die in daarvoor bestemde verdiepingen passen. De volgende tabel geeft enkele coëfficiënten van deze wrijving:

Droog Met olie of _ , of talk gesmeerd. Naam van de stoffen. wejnjg -

vettig, gewoon goed.

Smeedijzer op klokspijs... 0,215 0,075 0,054

Gietijzer op klokspijs 0,194 0,075 0,054

Gietijzer op pokhout 0,185 0,100 0,092

De rollende wrijving, die bij het voortrollen van cylinders, raderen enz. ontstaat, is veel geringer dan de slepende. Zij is evenredig aan de drukking en omgekeerd evenredig aan den straal van het rollend lichaam. Het is algemeen bekend, dat men rijtuigen te gemakkelijker in beweging kan brengen en doen blijven, naarmate hunne raderen grooter zijn. Volgens Morin bedraagt op spoorwegen de wrijving omstreeks Vzoo8'6 van de belasting, bij gewone vrachtwagens op een zeer goeden weg 760ste en op een middelmatigen weg op zeer goed plaveisel 1/tsB en op slecht plaveisel '/4a der belasting. Van het feit, dat de rollende wrijving geringer is dan de slepende, maakt men gebruik door lasten, welke moeten worden voortbewogen, op rollen te leggen enz. Moet een rad zeer gemakkelijk beweegbaar zijn, dan legt men zijn dunne as niet in een pan, maar in den hoek, gevormd door de omtrekken van twee naast elkander geplaatste raderen, wrijvingsraderen geheeten. Men heeft alsdan alleen nog wrijving aan de assen van deze vier raderen en deze is uiterst eerine. In vele gevallen komt de wrijving

uitstekend te pas. Immers het verbinden van lichamen door spijkers, schroeven, snoeren enz. berust enkel op de wrijving; ook het overbrengen der beweging door middel van drijfriemen, alsmede het vertragen der beweging door remtoestellen. Zonder wrijving zou onze voet niet vast staan op den grond en zouden de locomotieven met omwentelende raderen op de rails-stil blijven staan.

Van deze uitwendige wr ij ving moet de inwendige wr ij ving, welke in het inwendige van homogene lichamen optreedt, wanneer hun deelen in relatieve beweging ten opzichte van elkander zijn, worden onderscheiden. Zij treedt op bij elastische vormveranderingen van vaste lichamen en bij het stroomen van vloeistoffen en gassen; zij is evenredig met de afmetingen der lagen, welke zich bewegen, met haar afstand en met de snelheid van de beweging. Wrijvingscoëfficient noemt men hier de kracht, welke instaat is een laagje der stof met een oppervlakte 1, gelegen op een afstand 1 van de laag, die in rust blijft, met de snelheid 1 te verschuiven. Gebruikt men als eenheid van lengte de cm. en als eenheid van snelheid de cm. per seconde, dan heeft deze wrijvingscoëfficient voor water van 18° C. een waarde van 0,000 010 705 gr. Hij neemt

bij vloeistoffen met stijgende temperatuur sterk af. Men bepaalt hem bijv. door deze capillaire buizen te doen doorstroomen. Voor gassen volgt uit de kinetische gastheorie, dat hij bij lagen druk onafhankelijk is van de dichtheid; hij neemthiermetde temperatuur echter toe.

Wrijvingscoëfficient. Zie Wrijving.

Wrijvingsrad. Zie Frictierad.

Wtenbogaert, Zie Uytenbogaart.

Wttenbroeck, Mozes van, een Ilollandseh landschapschilder en etser, werd geboren omstreeks 1590 en overleed te 's Gravenhage in 1648. Hij is waarschijnlijk een leerling van Elsheimer te Rome. In 1620 werd hij lid van het Haagsche St. Lucasgilde, waarvan hij in 1627 hoofdman was. Wttenbroeck is zeer veelzijdig in zijn onderwerpen, doch schilderde meest landschappen. Zijne mythologische, historische en bijbelsche tafreelen zijn minder aantrekkelijk, doch de landschappen, waarin zij zich afspelen, zijn vaak zeer mooi van toon. Hij schilderde 0. a. voor Prins Frederik Hendrik. Werk van zijn hand bevindt zich hier te lande 0. a. in het Rijksmuseum te Amsterdam en het Gemeentemuseum te 's Gravenhage.

Wttewael, Joachim Anthonisz., een Ilollandseh schilder van historische tafreelen, genrestukken en portretten, werd geboren te Utrecht in 1566 en overleed aldaar in 1638. Hij was een leerling van zijn vader, den glasschilder Anthonie Wttewael en vervolgens van Joos de Beer. Van zijn jeugd bracht hij 6 jaar in Frankrijk en Italië door. In Utrecht terug gekeerd, werd hij in 1592 lid van het zadehnakersgilde aldaar. Hij behoorde tot de

allereerste leden van het m lbil opgericnte utreentsche St. Lucas-gilde. Behalve gedurende zijn 6-jarige reis was hij in Utrecht werkzaam, waar hij verscheidene leerlingen had, 0. a. den bekenden beeldhouwer Hendrik de Keyser. Hij schilderde meest bijbelsche en mythologische tafreelen, soms met groote figuren, soms in zeer klein formaat en zeer fijn uitgevoerd. Zijn teekeningen doen denken aan die van zijn tijd- en stadgenoot Bloemaert. Werken van zijn hand bevinden zich hier te lande 0. a. in het Museum Kunstliefde te Utrecht en in het Rijksmuseum te Amsterdam.

Wttwaal, Gerard, een Nederlandsch rechtsgeleerde en landbouwkundige, geboren te Utrecht den 26s'ea April 1776, studeerde aldaar in de rechten, legde zich tevens toe op de oude letteren en promoveerde in 1801. Hij bedankte in 1803 voor een leerstoel in de rechten te Deventer en wees ook de hem aangeboden betrekking van fiscaal op de vloot van de hand. Verder werd hij benoemd tot schepen te Utrecht, maar weigerde het bekleeden van eenig staatsambt na de inlijving van Nederland in het Fransche keizerrijk. Hij vertaalde toen de „Scienza della legislazione" van Filangieri, welk werk echter niet werd uitgegeven. Daarna vestigde hij zich op het vaderlijk landgoed Wickenburg tusschen Houten en Schalkwijk, legde een belangrijke plantenverzameling aan en gaf in 1809 de „Handleiding tot de kennis der planten" naar Wildenow in het licht. Hij was lid der commissie van landbouw en werkte in 1813 krachtig mede tot d« beperking van de runderpest. Nadat hij in 1814 het aanbod van een leerstoel in de landhuishoudkunde en plantkunde te Utrecht had afgeslagen, aanvaardde hij in 1822 een dergelijke betrekking te Leiden met een

Sluiten