Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

redevoering over „De landhuishoudkunde, der bescherming van 's rijks regeering waardig". Van 1827—1828 bekleedde hij er het rectoraat en sprak bij die gelegenheid „De agricultura, salutis publicae vero fundament»". Verder schreef hij slechts eenige opstellen in tijdschriften. Hij overleed op zijn buitengoed Wickenburg den 6den Juli 1838. Er bestaat van hem een levensschets, opgesteld door mr. J. R. Thorbecke.

Wtiwaal, Jan, een Nederlaridsch landbouwkundige, een zoon van den voorgaande, geboren te Utrecht den 6den September 1810, ontving zijn eerste opleiding van zijn vader, verzamelde reeds als student een uitgebreid herbarium en leverde o. a. een uitmuntende beschrijving van het Beekberger Woud voor het „Tijdschrift voor natuurlijke geschiedenis". Zelfstandig verscheen van hem een verhandeling „Over het nadeelige van het snoeien van opgaande boomen" (1837). Hij promoveerde in 1839 op een dissertatie „De arborum sylvestrium plantatione", richtte een groote boomkweekerij op te Voorst bij Zutfen en stichte in 1847 de „Landbouw-courant". Van zijn hand noemen wij nog de „Opmerkingen wegens de appel-en peerboomgaarden in Nederland" (1861). Hij overleed te Utrecht den 3den Augustus 1863. Na zijn dood verscheen het „Volksleesboek over schadelijke en nuttige insecten" (1863).

Wujek, Jacob, een PooLsch Jezuïet en Bijbelvertaler, werd geboren in 1540 te Wongrowiec (in Posen), studeerde te Krakau en trad in 1593 te Rome in de Orde der Jezuïeten. Na zijn terugkeer was hij opvoeder van den zoon van Stepan Bathori, rector van het college der Jezuïeten in Polen en daarna te Wilna. Eindelijk werd hij onderprovinciaal der Orde te Krakau. Hij overleed aldaar den 27sten juli 1597. Zijn voornaamste geschrift is een voortreffelijke vertaling van den Bijbel uit het Latijn der „Vulgata" in het Poolsch. Zij werd in 1593 —1594 te Krakau gedrukt, en ook thans nog verschijnen daarvan nieuwe uitgaven. Voorts leverde hij een „R. Katholiek Huisboek" (1567), alsmede verschillende stichtelijke werken en strijdschriften, terwijl hij zich tevens onderscheidde als kanselredenaar.

Wulff, Fredrik, een Zweedsch taalgeleerde, geboren den llden Februari 1845 te Gotenburg, studeerde te Lund in de Romaansche talen, vestigde zich aldaar in 1875 als privaatdocent en werd in 1888 benoemd tot hoogleeraar. Hij deed verschillende reizen door Italië, Spanje en Portugal. Van zijn hand verschenen: „Versions nordiques du fabliau francais le Mantel mautaillie" (met Cederschiöld, 1877), „La Chronique dite de Turpin" (1881), „Poèmes inédits de Jean de la Cueva I" (1887), „Le Lai du cor" (1887), „Om Varsbildning" (1896), „I livets v&r: Dantes Vita nuova" (dl. 1, 1897) en „En svensk Petrarka-bok till jubelfasten 1304—1904" (1905). Met Lyttkens schreef hij de volgende werken over de uitspraak van het Zweedsch: ,,Svensk uttalsordbok" (1889), „Svenska spr&kets Ljudlara (1885) en „Metodiska Ljudöfninear" (1892).

Wulfing1, Ernst, een Duitsch aard- en delfstofkundige, geboren den 27ste" November 1860 te Elberfeld, studeerde te Genève, Heidelberg, Berlijn, Grcifswald en Weenen en vestigde zich in 1891 als privaatdocent te Tubingen, waar hij in 1897 tot

buitengewoon hoogleeraar werd benoemd. In 1899 trad hij als gewoon hoogleeraar in de aard- en delfstofkunde op te Hohenlieim, in 1904 aan de technische hoogeschool te Danzig en in 1906 te Kiel. Hij onderzocht een groot aantal mineralen, de samenstelling van het toermalijn, en construeerde toestellen voor afwisselende verlichting onder het mikroskoop, voor het optisch onderzoek van mineralen enz. Van zijn publicaties noemen wij: „Tabellarische Übersicht der einfachen Formen der 32 kristallographischen Symmetriegruppen" (1895), „Die Meteoriten in Sammlungen und ihre Literatur" (1897), terwijl hij ook den 4den druk bewerkte van Rosenbusch' „Mikroskopische Physiographie der Mineralien" (1905—1907).

Wulken is de naam van een dierengeslacht uit de orde der Buikpootige Weekdieren (Gaslropoda), welke ademhalen door middel van kieuwen, die in den mantel besloten zijn. Hun kop is aan de voorzijde stomp en aan beide zijden bezet met een langen voeler, aan wiens basis een oog is geplaatst, terwijl de buikschijf vrij groot is. De hoorn is eivormig met een vrij hooge winding en eene scherpe spits. De wijde mond beslaat de helft van den hoorn en is aan de onderzijde ingesneden. Aan onze kust vindt men twee soorten van wulken. De meest algemeene (Buccinum undatum L.) ziet men er in alle jaargetijden cn is in September dikwijls bewoond door den Bernarduskreeft. Hij is lichtbruin of geelwit van kleur, soms met donkere banden endwarsstrepen.De tweede soort (Buccinum anglicanum Mart.) heeft een korter en buikiger hoorn en is roestbruin met roode vlekken.

Wülker (tot 1884 noemde hij zich Wülcker), Richard Paul, een Duitsch taalgeleerde, geboren te Frankfort a. d. Main den 29sten Juli 1845, studeerde te Berlijn en te Leipzig, nam deel aan den oorlog van 1870, zette zijn studiën voort te Marburg en vestigde zich in 1873 als privaatdocent in de Engelsche taal en letterkunde te Leipzig, waar hij in 1875 buitengewoon en in 1880 gewoon hoogleeraar werd. Sedert 1876 was hij hoofdredacteur van het tijdschrift voor Engelsche philologie „Anglia". Hij schreef: „Das Evangelium Nikodemi in der abendlandischen Litteratur" (1872), „Uebersicht der neu-angelsachsischen Sprachdenkmaler" (1873), „Meszmemorial des Buchhandlers Harder von 1569" (met Kelchner, 1873), „Alt-englisches Lesebuch" (2 dln., 1874—1880), „Kleinere angelsachsische Diclitungen" (1882) en „Grundrisz zur Geschichte der angelsachsischen Litteratur" (1885). Verder leverde hij een nieuwe bewerking van de „Bibliothek der angelsachsischen Prosa und Poesie" van Grein (1881 en verder) en van Wrights „Anglo-Saxon and old Anglisch vocabularies" (2 dln., 1884) en een „Geschichte der englischen Literatur von den altesten Zeiten bis zur Gegenwart" (2de druk, 2 dln., 1907). Hij overleed den 9den Februari 1910 te Leipzig.

Wullenwever, Jürgen, burgemeester van Lübeck, geboren omstreeks 1492 te Hamburg, vestigde zich als koopman te Lubeck, was er de leider van de democratisch-protestantschgezinde burgerij en werd, nadat hij deelgenomen had aan den veldtocht in Noorwegen tegen Chistiaan II van Denemarken, in 1533 tot burgemeester gekozen. Aanhanger van de Kerkhervorming en vijand der aristocratie, trachtte hij de kwijnende Hansa door on-

Sluiten