Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derwerping der Denen en door uitbreiding der democratie en van het Protestantisme onder de leiding van Lübeck, als lieerscheres over de Oostzee nieuw leven in te blazen. Een volksopstand verwijderde de patriciërs uit den raad, waarna graaf Christoph van Oldenburg met de vloot van Lübeck en een landleger in 1534 den strijd tegen Denemarken opende. Toen deze oorlog een ongunstige wending nam, vertrok Wullenwever zelf naar Seeland. Intusschen herkreeg gedurende zijne afwezigheid de aristocratische partij te Lübeck haar voormaligen invloed. Ook keurden de andere Hansasteden Lübeck's optreden niet goed. Wel keurde een Hansadag, te Lübeck gehouden, de voortzetting van den oorlog ten slotte goed, maar terwijl Wullenwever met een zending naar hertog Hendrik van Meclclenburg afwezig was, bereikte den raad van Lübeck een executoriaal mandaat van het Rijkskamergericht te Spiers van den 7den Juni 1535, waarin de stad met den rijksban bedreigd werd, als zij niet binnen 45 dagen de oude aristocratische grondwet herstelde. Dit geschiedde dan ook in Augustus van dat jaar. Wullenwever legde bij zijn terugkeer den 26sten Augustus zijn waardigheid neder. Kort daarop werd hij door den aartsbisschop Christoffel van Bremen gevangen genomen en overgeleverd aan diens broeder, hertos Hendrik den Jongere van Brunswijk, een verklaarden vijand der Hervorming. Deze hield hem gevangen te Steinbrück bij Wolfenbüttel. Op de pijnbank werden hem de meest ongerijmde bekentenissen afgeperst, waarna den 24sten September 1537 een openlijk gericht over hem gehouden werd, dat hem veroordeelde tot de straf van gevierendeeld te worden; de hertog veranderde deze echter in die van onthoofding. Den 29sten September 1537 werd hij ter dood gebracht; zijn lijk werd gevierendeeld en geradbraakt. Gutzkow en H. Kruse hebben het noodlot van Wullenwever tot onderwerp voor een treurspel, L. Kohier voor een roman gekozen.

WüUerstorf-TJrbair, Bernhard, wijheer von, een Oostenrijksch zeeman, geboren den 29sten Januari 1816 te Triest, trad in 1833 als kadet in dienst der Oostenrijksche zeemacht, studeerde vanaf 1837 te Weenen in de sterrenkunde en werd in 1839 directeur van de marinesterrenwacht en hoogleeraar aan de marineacademie te Venetië. In 1849 werd hij korvetkapitein en in 1857 werd hij als comodore belast met de leiding der Novara-expeditie. Na zijn terugkeer verzorgde hij de uitgave der reisbeschrijving. In 1860 werd hij bevorderd tot vestingcommandant en havenadmiraal van Pola; in 1863 werd hij havenadmiraal van Venetië. In 1864 vertrok hij als opperbevelhebber van een eskader naar de Noordzee, waar hij den Denen de Westzee-eilanden ontnam. Van 1865—1867 was hij minister van Koophandel, waarna hij zich, benoemd tot lid voor levenslang van het Heerenhuis, in 1869 vestigde te Graz. Hij schreef: „Ueber das Verhalten und die Verteilung der Winde auf der Oberflache der Erde" (1860), „Ueber die Wichtigkeit des Adriatischen Meeres fiir Oesterreich" (1861), „Bemerkungen fiber die physikalischen Verhaltnisse des Adriatischen Meeres" (1864), en „Zur wissenschaftlichen Verwertung der Aneroïde" (1871). Hij overleed den lOden Augustus 1883 te Klobenstein bij Bozen. Zijn weduwe publiceerde de „Vermischte Schriften von Bernhard von Wüllerstorf-Urbair" (1889).

Wüllner, Franz, een Duitsch componist, geboren den 28aten Jamiari 1832 te Munster in Westfalen, was te Frankfort a. d. Main leerling van A. Schindler en F. Keszler en studeerde later te Berlijn, Brussel en te München, waar hij in 1856 tot leeraar in het klavierspel aan het conservatorium benoemd werd. In 1858 vertrok hij als stadsmuziekdirecteur naar Aken, maar keerde in 1865 als kapelmeester der koninklijke vocaalkapel naar München terug, waar hij in 1867 ook bestuurder der klassen voor koorgezang aan de koninklijke muziekschool werd en vanaf 1868 de concerten der vocaalkapel redigeerde. In het najaar van 1870 werd hij tot eersten hofkapelmeester en tot professor en inspecteur der koninklijke muziekschool benoemd. In 1877 ging hij als koninklijk kapelmeester en directeur van het conservatorium naar Dresden. Nadat hij in 1882 als zoodanig ontslag had genomen, leidde hij van hier uit en later van uit Keulen, waar hij in 1884 tot directeur van het conservatorium en stedelijk kapelmeester werd benoemd, de philharmonische concerten te Berlijn. Als componist maakt Wüllner naam met klavierstukken, sonaten, liederen en met grootere kerkelijke en wereldlijke koorwerken. Zijn cantate „Heinrich der Finkler" werd in 1864 te Aken bekroond, Zijn „Chorgesangschule (1876— 1877) behoort tot de beste studiewerken van den lateren tijd. Hij overleed den 7den September 1902 te Braunfels a. d. Lahn.

Wüllner, Ludwig* een Duitsch zanger en declamator, een zoon van den voorgaande, geboren den 19den Augustus 1858 te Munster, studeerde te München, Berlijn en Straatsburg in de Germaansche wetenschappen, was van 1884—1887 leeraar aan de hoogeschool te München, ging daarna echter bij het tooneel en werd in 1889 eerste helden- en karakterspeler bij den hofschouwburg in Meiningen. In 1895 nam hij afscheid van het tooneel en wist zijn, van nature slechts matig begaafde, stemorgaan zoodanig te ontwikkelen, dat hij zijn declamatie met gezang kon verbinden. Van af 1896 trad hij op als concert- en oratoriumzanger; in enkele partijen uit melodrama's en opera's (Manfred, Tannhauser, Genesius) betrad hij nu ook weder het tooneel. Nadat hij onder leiding van George Armin zijn stem nog verder had ontwikkeld, trad hij bijna uitsluitend op als vertolker van liederen en balladen. Ofschoon hij daarbij aan Schuiert en Brahms de voorkeur geeft, laat hij toch aan alle klassieke meesters recht wedervaren. Tegelijker tijd maakt hij voor verschillende nieuwere toonzetters van onzen tijd (Hugo Wolf, Richard Strausz, Schillings, Ansorge, Reger) een zeer werkzame propaganda.

Wüllner, Adolf, een Duitsch natuurkundige, geboren te Düsseldorf den 13den Juni 1835, studeerde te Bonn, München en Berlijn, vestigde zich in 1858 als privaatdocent aan de universiteit te Marburg, werd in 1862 directeur van de provinciale nijverheidsschool te Aken, aanvaardde in 1865 den leerstoel voor natuurkunde aan de landbouwacademie te Poppelsdorf en werd in 1867 tevens benoemd tot buitengewoon hoogleeraar aan de universiteit te Bonn, vanwaar hij in 1869 als gewoon hoogleeraar naar de technische hoogeschool te Aken vertrok. Zijn eerste onderzoekingen vallen op het gebied der dampspanningen van oplossingen, later bewoog hij zich op dat der soortelijke warmte van allotrope modificaties, van vloeistoffen en gassen. Verder pu-

Sluiten