Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bliceerde hij de resultaten van onderzoekingen'over het verband tusschen den brekingsindex en de dichtheid der stoffen en bestudeerde hij de spectra der gassen. Op het gebied der electriciteit verdedigde hij de opvattingen van Faraday over de diëlectrische polarisatie. Zijn hoofdwerk is het „Lehrbuch der Experimentalphysik" (5dc druk, 4 dln., 1895—1899, dl. 1, 6de druk, met Hagenbach, 1907.); verder verschenen van hem: „Einleitung in dii Dioptrik des Auges" (1866), en „Kompendium der Physik" (2 dln., 1879). Hij overleed den 6den October 1908 te Aken.

Wulp (Numenius L.), een vogelgeslacht uit de familie der Snipachtigen (Scolopacidae), omvat 16 soorten. Het zijn slankgebouvvde vogels, met langen dunnen hals, kleinen kop, zeer langen benedenwaarts gebogen snavel, waarvan de bovensnavel over den ondersnavel heen steekt, lange pooten met vier korte teenen, waarvan de voorste drie onderling verbonden zijn en groote, spits uitloopende vleugels. Zij wonen aan oevers van rivieren, meren en zeeën, in moerassen en weiden, voeden zich met insektenlarven, wormen, slakken en ook wel bessen en trekken in groote vluchten. Van de drie soorten, welke in Europa voorkomen, zijn er twee, de groote Wulp (Numenius arquatus L.), ook Drupen, Tuter, Regenfluiter, Bergfluiter en Wetiergulp genaamd, en de kleine Wulp (Numenius phaeopus L.), eveneens bekend als Regenwulp, bij ons inheemsch. De eerste is 75 cm. lang, heeft een vlucht van 125 cm., is van boven bruin met overlangsche, donkere vlekken, wat lichter aan den hals en aan de borst en wit op den buik; de vleugels zijn wit en zwart. Bij ons te lande vertoeft hij van Maart—September. Hij broedt op de eilanden, op heidevelden en in lage, moerassige streken. Het wijfje legt vier groote, olijfgroene, zwartbruin gevlekte eieren, welke als lekkernij gelden. Ook als wild wordt deze vogel geschat. De laatste is 52 cm. lang, zijn kleur is in hoofdzaak gelijk aan die van de andere, ofschoon somberder. Hij broedt op IJsland, op de Faroër, in Groenland en Siberië. In den nazomer en het najaar vertoonen zij zich bij ons in de hooilanden, 's winters vindt men hen aan de kust en in het voorjaar op onze weilanden. Eieren zijn hier nooit van hen gevonden. De derde Europeesche soort, de Duribekwulp (Numenius tenuirostris L.), leeft in Z. Europa en wordt bij ons slechts uiterst zelden aangetroffen.

Wulven, van. Het oud adellijk geslacht van Wulven was in de provincie Utrecht reeds vóór elfhonderd bekend en ontleende zijn naam aan den burcht Wulven, gelegen bij het tegenwoordige dorp Houten, op ongeveer 57a km. te Z.O. van Utrecht. Uit de officiëele bronnen blijkt, dat de leden van dit geslacht steeds veel invloed hadden, zoowel in Utrecht, als in een deel van Holland; zij bouwden gedurig op meer en minder groote afstanden van het kasteel Wulven nieuwe sloten voor hunne jongere zonen, die daarvandaan den naam als geslachtsnaam aannamen en in de wapenkunde steeds zijn te herkennen, daar zij allen tot geslachtswapen een schild voerden, geheel op dezelfde wijze gedeeld als dat van Wulven, maar gedekt door afwisselende kleuren.

Van al deze geslachten bestaat thans nog alleen dat van Hardenbroek, waarvan als bijzonderheid kan worden vermeld dat dit nog in het bezit is van het

XVI

kasteel van dien naam, in 1260 door Ernestus van Wulven, vrijheer en ridder, gebouwd voor diens tweede zoon Ghisebrecht (Gijsbert), die toen ook terstond den naam van Hardenbroek heeft aangenomen en de stamvader is van het later zoo uitgebreide geslacht, waarvan thans nog verschillende afstammelingen leven. Sedert de vroegste tijden tot heden hadden deze steeds zitting in de besturen van land en gewest, terwijl een goed deel hunner in allerlei rangen den lande dienden bij leger en vloot. Als een der meest bekenden kan worden genoemd Gijsbert Jan van Hardenbroek (1719—1789), waarvan de gedenkschriften gedeeltelijk werden uitgegeven door prof. F../. L. Kramer, directeur van het Koninklijk Huisarchief, welk werk wordt voortgezet door dr. A. J. van der Meulen te Utrecht.

Wunderlich, Karl August, een Duitsch geneeskundige, geboren den 4den Augustus 1815 te Sulz a. d. Neckar, studeerde te Tubingen, vertrok in 1837 naar Parijs en werd in 1838 assistent-arts aan het Catharinaziekenhuis te Stuttgart. In 1840 vestigde hij zich als privaatdocent te Tubingen en werd er in 1843 buitengewoon en in 1846 gewoon hoogleeraar en directeur der kliniek. Na een bezoek aan Weenen schreef hij „Wien und Paris. Ein Breitrag zur Geschichte und Beurteilung der gegenwartigen Heilkunde in Deutschland und Frankreich"(1841), waarin hij de aandacht der geneeskundige wereld op de jonge Weener school vestigde. Met Roser richtte hij in 1841 het „Archiv für physiologische Heilkunde" op en wees daarin de nieuwe richting aan, welke men diende te volgen. In 1843 begon hij zijn „Handbuch der Pathologie und Therapie"(2de druk, 4 dln., 1853—1857) te schrijven, dat zich onderscheidt door de streng natuurwetenschappelijke methode. Te Leipzig, waar hij in 1850 tot hoogleeraar benoemd was, begon hij zijn onderzoekingen over het koortsproces en de lichaamstemperatuur van zieken. Door een aantal verhandelingen en door zijn geschrift over „Das Verhalten der Eigenwarme in Krankheiten"(2de druk, 1870) bewerkte hij, dat de thermometer thans als onontbeerlijk hulpmiddel geldt bij de diagnostiek van koortslijders. Van zijn hand verschenen nog: „Die Nosologie des Typhus" (1839), „Versuch einer pathologischen Physiologie des Bluts"(1845), „Grundrisz der speziellen Pathologie und Therapie"(1858) en „Geschichte der Medicin"(1859). Hij overleed den 25sten September 1877 te Leipzig.

Wundt, Wilhelm, een Duitsch physioloog, psycholoog en wijsgeer, geboren den 16den Augustus 1832 te Neckarau in Baden, studeerde te Heidelberg, Tubingen en Berlijn in de geneeskunde, vestigde zich in 1857 als privaatdocent in de physiologie te Heidelberg, waar hij in 1865 buitengewoon hoogleeraar werd. In 1874 werd hij gewoon hoogleeraar in de wijsbegeerte te Zurich en in 1875 te Leipzig, waar hij het eerste instituut voor proefondervindelijke zielkunde inrichtte, dat het voorbeeld voor alle volgende is geworden. Als physioloog legde hij door zijn onderzoekingen over de zenuwen, spieren en zintuigen den grondslag, waarop hij zijn beschouwingen op het gebied der zielkunde en kennisleer kon opbouwen. Als wijsgeer maakte hij zich verdienstelijk door het invoeren van inductieve methoden van onderzoek in wetenschappen, welke vóór hem zuiver bespiegelend waren. Het is hier vooral de psychologie, welke nauwkeurige metingen aan hem te danken

18

Sluiten