Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

burg en met de keizers Albrecht 1 en Hendrik VIL Door laatstgenoemden uit zijn land verjaagd, herkreeg hij het eerst na diens dood (1333). Na den dood van Ulrich III (1325—1344) regeerden diens zonen: Eberhard II de Greiner (Twistzoeker) en Ulrich IV, eerst te zamen en na den dood van den laatsten (1366) Eberhard alleen tot 1392. Hij voerde nagenoeg onverpoosd oorlog met de Zwabische Rijkssteden, wier macht hij door de overwinning bij Döffingen (1388) voor goed brak. Zijn kleinzoon Eberhard III (1392—1417) en diens zoon Eberhard IV (1417— 1419) verwierven het graafschap Mömpelgard. Onder de voogdij van hun moeder, gravin Henriette, aanvaardden de beide minderjarige zonen van Eberhard IV: Lodewijk I en Ulrich V het bewind, dat zij eerst gemeenschappelijk voerden. Den 25sten Januari 1442 echter verdeelden zij het graafschap. Na den dood van Lodewijk (1450) trad Ulrich op als voogd over diens minderjarige zonen: Lodewijk II en Eberhard V (met den Baard), van welke de eerste reeds in 1457 overleed, terwijl de laatste in 1477 de hoogeschool te Tubingen stichtte. Bij het Münsinger Verdrag (14 December 1484) kwam het geheele Württembergsche gebied onder zijn bestuur. Tegelijkertijd werd de ondeelbaarheid van het land en de erfopvolging volgens eerstgeboorterecht vastgesteld. Op den Rijksdag te Worms (1495) bekrachtigde Maximiliaan 1 deze besluiten en werd Eberhard, als Eberhard I, tot hertog benoemd. Toen Eberhard I den 24slen Februari 1496 kinderloos overleed, werd hij opgevolgd door zijn neef Eberhard VI of als hertog Eberhard II. In den strijd met de Stenden, die met toestemming van den keizer hem afgezet hadden, deed hij bij het Verdrag van Horoer (10 Juni 1498) formeel afstand. Zijn minderjarige neef Ulrich volgde hem op onder voogdijschap, maar werd reeds in 1503 op 16-jarigen leeftijd door den keizer meerderjarig verklaard. Daar hij wegens zijn verkwisting genoodzaakt was om de belastingen te verhoogen, barstte in 1514 in het Remsdal het oproer van den „armen KoenraaêC uit. Ter herstelling van de orde grepen de Stenden in. Bij het verdrag van Tubingen (8 Juli 1514) nam het land de schulden van den hertog (bijna een millioen florijnen) voor zijn rekening, maar verkreeg daardoor onderscheidene rechten, die de grondslag werden der Württembergsche constitutie. Een nieuw conflict ontstond, toen Ulrich ridder Hans von Huiten, met wiens gemalin hij een liefdebetrekking had aangeknoopt, in 1515 vermoordde. De broeders van zijn gemalin Sabina wisten keizer Maximiliaan te bewegen, om den moordenaar in den ban te doen. Door de verovering van Reutlingen (1519) bracht hij ook den Zwabischen Bond, waartoe Reutlingen behoorde, tegen zich in het vuur. Deze veroverde het land en verkocht het in 1520 voor 220 000 florijnen aanKarelV, die er in 1530 zijn broeder Ferdinand mee beleende. Eerst door zijn overwinning bij Lauffen (13 Mei 1534) maakte Ulrich, die ra zijn overgang tot de Hervorming de hulp van Philips van Hessen had gekregen, een einde aan het Oostenrijksch gezag. Bij den Vrede van Kaaden (29 Juni 1534) moest hij echter de opperhoogheid van Oostenrijk erkennen. Daarop voerde hij de Hervorming in Württemberg in. Opnieuw bracht hij zijn regeering in gevaar door zijn toetreden tot het Schmalkaldisch Verbond. Württemberg werd door Oostenrijk bezet. Karei V gaf het hem wel is waar bij het Verdrag van Heil-

bronn (1547) terug, maar onder bezwarende voorwaarden. Opnieuw met afzetting bedreigd, overleed hij den 6den November 1550.

Zijn zoon Christoffel (1550—1568) werd door Ferdinand volgens de bepalingen van het Verdrag van Kaaden als hertog van Württemberg erkend. Onder hem kreeg de Hervorming haar beslag en werd door de „groote Kerkverordening" de grondslag gelegd voor den eeredienst en het onderwijs in Württemberg. Lodewijk (1568—1593), de zoon en opvolger van Christoffel, werkte mede tot het uitvaardigen van de Formula Concordiae, stichtte in 1592 het Collegium illustre, bestemd voor de wetenschappelijke vorming van burgerlijke ambtenaren en overleed kinderloos, opgevolgd door Frederik I (1593— 1608), den zoon van graaf Georg van Mömpelgard. Tegen hooge vergoeding in geld erkende keizer Rudolf II bij het Verdrag van Praag (1599) Württemberg weder als rijksleen. Het gelukte hem echter niet, het Verdrag van Tnbingen ongedaan te maken. Zijn zoon Johan Frederik (1608—1628) moest het Verdrag van Tubingen in vollen omvang bekrachtigen en toestemming geven tot de onthoofding van den kanselier Enslin, die reeds onder de regeering van Frederik I aan genoemd verdrag had pogen te tornen. Midden in den Dertig jarigen Oorlog, waaraan hij overigens niet deelnam, overleed Johan Frederik den 18den Juli 1628. Zijn zoon en opvolger, Eberhard III (1628—1674) trad in 1633, terstond nadat de voogdij van zijn ooms geëindigd was, toe tot het Verbond van Heilbronn en ondersteunde de Zweden met soldaten. Na de nederlaag bij Nördlingen werd Württemberg daarom door de keizerlijken bezet. De hertog vluchtte naar Straatsburg en keerde eerst in 1638 terug. Bij den Vrede van Munster herkreeg Eberhard wel is waar het geheele land, maar verarmd en ontvolkt. Hij overleed den 3aen Juli 1674. Zijn zoon Willem Lodewijk (1674—1677) werd opgevolgd door Eberhard Lodewijk, die tot 1693 onder voogdijschap van zijn oom Frederik Karei stond. Herhaalde invallen der Franschen teisterden het land, dat bovendien onder de verkwisting van Eberhard Lodewijk leed. Hij overleed den 318ten October 1733 en werd opgevolgd door Karei Alexander (1733—1737), den zoon van zijn oom en voogd Frederik Karei. In het Oostenrijksche leger tot de R. Katholieke Kerk overgegaan, ontstond er een groote beweging in het land, toen het gerucht zich verspreidde, dat de hertog de constitutie wilde afschaffen, de waarborgen voor vrijheid van godsdienst opheffen en het Katholicisme wederom invoeren. Hij overleed den 12den Maart 1737 plotseling. Zijn oudste zoon, Karei Eugenius (1737—1793), werd in 1744 door den keizer meerderjarig verklaard. Prachtlievend in hooge mate, spreidde hij in zijn hofhouding een buitengewone weelde ten toon en bouwde het nieuwe slot te Stuttgart alsmede de sloten Solitude en Hohenheim. Ook aan den Zevenjarigen Oorlog nam hij deel. Om aan geld te komen, werd een schaamtelooze handel in ambten gedreven en werden willekeurige belastingen geheven. De Landdag bracht bij herhaling zijn bezwaren in bij den keizer, maar eerst in 1770 werd een vergelijk getroffen, dat de oude rechten van den Landdag bevestigde. In de laatste jaren van zijn leven stelde hij zijn roem in de bevordering der wetenschappen en in het stichten van scholen. Daar hij geen wettige kinderen naliet, aanvaardde na zijn overlijden (24

Sluiten