Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

October 1793) zijn broeder Lodemjk Eugenius het bewind, en toen deze reeds in 1795 overleed,werd hij opgevolgd door zijn broeder Frederik Eugenius (1795 —1797), die langen tijd onder Frederik den Groote had gediend en met een nicht van dezen in het huwelijk was getreden. In 1796 drongen de Franschen zegepralend in Württemberg binnen, doch de hertog sloot den 17den Juli met Moreau den wapenstilstand van Baden, waarna hij zijn troepen uit het rijksleger terugnam en een oorlogsschatting van 4 millioen florijnen betaalde. Bij den Vrede van Parijs (7 Augustus 1796) stond hij Mömpelgard aan Frankrijk af tegen de belofte eener latere schadeloosstelling. Hij overleed den 23sten December 1797; met hem eindigde de reeks der R. Katholieke hertogen, die sedert 1733 aan het bewind waren geweest.

Zijn oudste zoon en opvolger Frederik II (1797— 1816) nam tegen den wil der Stenden deel aan den oorlog van de tweede coalitie tegen Frankrijk. Bij den vrede (1802) moest hij alle bezittingen op den linker Rijnoever afstaan, waarvoor hij enkele compensaties kreeg. In den oorlog van 1805 was hij genoodzaakt om met Napoleon een verbond te sluiten. Na dien tijd een ijverig aanhanger van dezen, verkreeg hij bij den Vrede van Preszburg (26 December 1805) belangrijke bezittingen. Den lsten Januari 1806 aanvaardde hij de koninklijke waardigheid. Den 12den Juli 1806 trad hij toe tot den Rijnbond, waardoor een nieuwe uitbreiding van gebied werd verkregen. Na den slag bij Leipzig scheidde Frederik zich van Napoleon af. Den lsten September 1815 sloot hij zich aan bij den Duitschen Bond. Overeenkomstig zijn belofte in het manifest vandenllden Januari 1815, legde hij den 15den Maart den Stenden een ontwerp-grondwet voor, dat deze, welke hun „oud, goed recht" terug eischten, echter verwierpen. Gedurende de verdere onderhandelingen overleed de koning den 30stei1 October 1816.

Zijn zoon, koning Willem I (1816—1864) kwam eerst onder de pressie der Besluiten van Karlsbad met de Stenden over de grondwet tot overeenstemming; zij werd den 25Bten September 1819 afgekondigd. Onder zijn regeering werd de eerste spoorweg gebouwd en kwam een reorganisatie van het inwendig bestuur tot stand. Door de beweging van 1848 moest het oude, bureaucratische ministerieSchlayer wijken, waarna het liberale ministerieRomer optrad. Deze regeering aanvaardde de door de Nationale Vergadering te Frankfort geproclameerde grondrechten als rijkswetten, waarna de koning zich gedwongen zag den 248l<m April 1849 de rijksgrondwet te onderteekenen. Een poging van het Romp-Parlement om, door zijn zetel naar Stuttgart te verleggen, Württemberg in opstand te brengen, voorkwam de regeering, door het met behulp van de militaire macht den 18den Juni 1849 uiteen te jagen. Den S"el1 Augustus daaraanvolgend werd de Landdag ontbonden.

Nadat aldus Württemberg voor een opstand was bewaard, riep de koning in 1849 Schlayer weder aan het bewind, die in 1850 door v. Linden werd opgevolgd. Pruisen werd losgelaten en aansluiting bij Oostenrijk gezocht. Nadat achtereenvolgens 3 Kamers van Vertegenwoordigers, gekozen op den grondslag van het algemeen kiesrecht, wegens het weigeren van credieten ontbonden waren, hief de koning de kieswet van 1849 op en verklaarde de grondwet van 1819 alleen voor geldig. De Landdag

van 1851 voegde zich in hoofdzaak naar de wenschen van de regeering. In het Duitsche vraagstuk volgde deze de wenschen van Oostenrijk, en na den Italiaanschen Oorlog toonde zij zich van de voorgestelde hervorming van den Duitschen Bond afkeerig. Willem 1 overleed den 25sten Juni 1864.

Onder koning Karei (1864—1891) trad de regeering zoowel in het binnen- als in het buitenland veel actiever op. Volledige vrijheid van drukpers en vereeniging kwam tot stand en in 1865 diende zij bij den Landdag een voorstel tot belangrijke uitbreiding van het spoorwegnet in. Den 14den Juni 1866 stemde Württemberg te Frankfort voor het voorstel van Oostenrijk om alle niet Pruisische bondslegerkorpsen te mobiliseeren. Bij Königgratz en Tauberbischofsheim verslagen, werd den 2den Augustus een wapenstilstand met Manteuffel gesloten. De vrede van den 13den Augustus legde Württemberg een oorlogsschatting van 8 millioen gulden op; tegelijkertijd sloot het een geheim of- en defensief verbond met Pruisen. Toch was daardoor het land nog niet met de nieuwe verhoudingen in Duitschland verzoend. De Tweede Kamer eischte in October nog de vorming van een afzonderlijken Z. Duitschen Statenbond. en keurde het genoemde verbond en de hervorming van het tolverbond alleen goed, omdat Pruisen dreigde met uitsluiting uit het tolverbond. Ook bij de verkiezingen van 1868 volgens de nieuwe kieswet behaalden de tegenstanders van een verbond met Pruisen de overwinning.

Door de oorlogsverklaring van Frankrijk in 1870 namen de zaken echter een andere wending. De koning vaardigde den 17dcn Juli het mobilisatiebevel uit en de Kamers stonden den 22s'fn eenstemmig de gevraagde credieten toe. Den 25sten November trad Württemberg toe tot het nieuwe Duitsche rijk. Het behield zijn eigen beheer over posterijen, telegrafie en spoorwegen, alsmede een bier- en brandewijnbelasting. In den Bondsraad kreeg het 4 stemmen, in den Rijksdag 17. De Rijksdagverkiezingen van den 3den Maart 1871 bevestigden deze staatkunde. In 1887 trad het land toe tot de gemeenschappelijke brandewijnbelasting, waarmee het een van haar bijzondere rechten prijs gaf. Koning Karei overleed den 6den October 1891.

Daar hij geen kinderen naliet, werd hij opgevolgd door zijn neef Willem II. Na eenige mislukte pogingen tot grondwetsherziening, scheen het ontwerp van 1898 te zullen worden aangenomen. De Tweede Kamer zou geheel op den grondslag van het algemeen kiesrecht tot stand komen. De herziening mislukte echter, op het laatste oogenblik, doordat het Centrum, toen zijn voorstel om de confessioneele school verplicht te stellen en den bisschoppen het recht van beslissing over de vestiging van geestelijke orden toe te kennen verworpen werd, zijn stem aan de herziening onthield. Evenzoo werd een voorstel tot belastinghervorming verworpen, waaromtrent echter in 1903 overeenstemming verkregen werd. In

1905 kwam, naar aanleiding van het verwerpen van de wet op het schooltoezicht, opnieuw de grondwetsherziening aan de orde, welke eindelijk den 9den Juli

1906 haar beslag kreeg. Bij de nieuwe verkiezingen bleek, dat vooral aan de uiterste partijen : boerenbond en sociaaldemocratie de herziening ten goede kwam. Een nieuwe wet over het volksschoolwezen werd den I7den Augustus 1909 aangenomen.

WUrttemberg1, Christian Friedrich Alexan•

Sluiten